922
5

Tekstschrijver en publicist

Mark Wagemakers is tekstschrijver en publicist.

De Prozac Periode: Pillenmaffia

'Godverdomme, wat mis ik m'n moeder. M'n moeder!'

Mark Wagemakers schrijft voor Joop iedere week een ontluikend, tragikomisch feuilleton over het ongebreidelde leven achter de muren van een psychiatrische kliniek.

“Zo, wat vind je er nu van?”, ik had mijn eerste weken in de kliniek versleten. Het reilen en zeilen was tot mij binnengedrongen, alsmede mijn eerste lading pillen. En inderdaad, die Valium maakte het leven een stuk gezelliger. Ik sliep niet meer, ik hallucineerde. Ik sprak niet meer, ik bazelde. Ik zat niet meer, ik slungelde. Wiegend keek ik voor me uit. Was ik gelukkig? Was ik genezen? Wat was ik? Wie was ik?

‘Godverdomme, wat mis ik m’n moeder. M’n moeder!’ Ondanks de drooglegging had ik een tergend verlangen naar de schoot van mijn moeder. Onze levens werden uit elkaar gerukt. Met tranen in haar ogen nam ze afscheid van me. Althans, liet ze mij van de motorkap verwijderen.

Ik kon het niet. Ik wilde het niet. Acht jongeren, de een nog meer gesedeerd en gekker dan de ander. Iedere ochtend, middag, avond en voor het slapengaan kregen we een pil. Niemand wist wat het was, maar er zat niemand bij die ze niét slikte. “Ja, je moet je pillen wel innemen, Robin. En jij ook Mark.” Robin en ik groeiden wat naar elkaar toe. We wilden ze niet meer. “Oké. Dan zal ik dat aan je psychiater doorgeven.” Als we de medicamenten nog steeds niet wilden slikken, volgde er een gesprek met de psychiater, begeleiding en allerhande therapeuten. “Je belemmert de behandeling, Mark. Je zult echt je medicijnen moeten slikken.” Als ik mijn medicijnen, ook al nam ik ze nog maar vier weken, niet innam, begon ik te zweten. Kreeg ik hoofdpijn. De meest verschrikkelijke nachtmerries volgden elkaar op in de luttele minuten dat ik kon slapen. ‘Ik vind medicatie niet zo’n goed idee”, zei ik, in de veronderstelling dat er een passende oplossing geboden werd. “Dan is het simpel”, sneerde Patty, “dan kun je je spullen pakken.” Dat was misschien een goede oplossing. “Maar bij je ouders kun je niet meer terecht”, zei de gezinstherapeut, die naar de afdeling was gekomen.

“Wie bent u?” “Sorry, ik zal me nog even voorstellen. Ik ben Jan”, zei de gezinstherapeut met Limburgse tongval. Ik had hem nog niet eerder gezien. “Ik heb voornamelijk contact met je ouders. Ik heb met ze afgesproken dat jullie elkaar maar even niet meer moeten zien. We beginnen met zes weken.” Alle respect die ik opgebouwd had voor therapeuten, pseudo-dokters en psychiatriewaanzinnigen, ging in rook op. Uit de grond van mijn hart, tot in het diepst van mijn vezels, kon ik maar drie woorden opbrengen. “Vieze. Vuile. Teringlijer.” Ik wilde hem naar zijn keel grijpen. Ik wilde Jan met alle kracht die ik in mijn lichaam had, kapotmaken. Ik wilde mijn verscheurde gevoel op hem botvieren door op hem in te beuken – een gevoel dat ik totaal niet in mezelf herkende. Ik had gedachten die ik tot voordien niet had. Dankzij mijn eenmalige medicatie-snipperdag had ik weer wat energie opgebouwd en vloog hem naar de keel. Ik werd, nee, wás hysterisch. Hysterisch door het gekanker van begeleiders, gezanik van psychiaters en geblèr van therapeuten. Iedereen die ook maar een greintje intellect had, kon zien dat deze weg van de minste weerstand levens kapotmaakt. Zielen knijpt. Depressievelingen suïcidaal maakt.

Uit het niets kwamen er zes mannen op me afgestormd. “Als je nú niet mee naar de isoleercel gaat, heb je een héél groot probleem!” Ik weigerde. “Mark, het spijt me, maar je hebt ervoor getekend. Dit kan niet. Opsluiten.”, aldus de therapeut.

Geef een reactie

Laatste reacties (5)