7.054
182

Hoogleraar neurobiologie

Dick Swaab is een arts en neurobioloog die bekendheid geniet als hersenonderzoeker. In 1978 werd hij directeur van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Die functie bekleedde hij tot 2006. In 1979 werd hij benoemd tot hoogleraar neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werkt mee aan vele televisieprogramma's, waaronder de in november 2009 uit te zenden VARA-programma's De Onrendabelen en Eigen schuld, dikke bult.

De wanen van Paulus en Mohammed

Wat de hersenwetenschappen ons kunnen leren over religie

Voor mij is de meest interessante vraag in relatie tot het geloof niet of God bestaat, maar waarom zoveel mensen religieus zijn. Er zijn zo’n 10 000 verschillende religies, en die zijn er allemaal van overtuigd dat er maar één fundamentele waarheid bestaat en dat juist zíj het ware geloof bezitten. Bijna 64% van de wereldbevolking is katholiek, protestant, moslim of hindoe. En het geloof verdwijnt niet zomaar. In China mocht lange tijd alleen maar in het communisme worden geloofd, en werd religie, in de traditie van Karl Marx, als ‘opium voor het volk’ gezien. Maar in 2007 zei weer een derde van de Chinezen van 16 jaar en ouder gelovig te zijn. En omdat dit cijfer komt uit een door de overheid gecontroleerde krant, de China Daily, zal het werkelijke aantal gelovigen zeker niet lager liggen. Ongeveer 95% van de Amerikanen zegt in God te geloven, 90% bidt, 82% zegt dat God wonderen kan verrichten en meer dan 70% gelooft in een leven na de dood.

Het lijkt er op dat religie een evolutionair voordeel moet hebben gehad. Spiritualiteit is de ontvankelijkheid voor religie, en die is voor 50% genetisch bepaald, zoals blijkt uit tweelingonderzoek. Spiritualiteit is een eigenschap die ieder mens in een bepaalde mate heeft, zonder dat er sprake is van een universele theologie. Religie is de lokale invulling van onze spirituele gevoelens.

Chemische boodschappers zoals serotonine spelen een rol bij de mate waarin we spiritueel zijn. De hoeveelheid serotoninereceptoren in de hersenen correleert met scores voor spiritualiteit. En stoffen die inwerken op serotonine, zoals lsd, mescaline (uit de peyote-cactus) en psilocybine (uit paddo’s) kunnen mystieke en spirituele ervaringen opwekken. Ook met stoffen die op het opiaatsysteem in de hersenen werken kunnen spirituele ervaringen worden opgewekt. Dean Hamer heeft een gen gevonden waarin kleine variaties de mate van spiritualiteit bepalen, zoals beschreven in zijn boek The God Gene (2004). Maar omdat dit waarschijnlijk slechts één van de vele betrokken genen zal zijn, had hij zijn boek beter A God Gene kunnen noemen.

Natuurlijk zie je in de hersenen ook veranderingen in activiteit bij spirituele ervaringen. Dat zie je bij alles wat we doen, denken en meemaken, en is dus noch een bewijs vóór, noch een bewijs tegen het bestaan van God. Dit soort onderzoek geeft slechts inzicht in de diverse hersenstructuren en systemen die een rol spelen bij zowel ‘normale’ religieuze ervaringen als bij de religieuze belevingen waarmee sommige neurologische en psychiatrische ziektebeelden gepaard gaan.

Neurofarmacologisch onderzoek wijst op het grote belang van activatie van het belonende, dopamine-bevattende systeem voor religieuze ervaringen. Ook hersenziekten geven in dit verband relevante informatie. Zo gaat de ziekte van Alzheimer samen met een progressief verlies van religieuze interesse. Hoe langzamer de ziekte van Alzheimer verloopt, hoe minder de mate van religiositeit en spiritualiteit worden aangetast. Daarentegen wordt hyperreligiositeit gevonden bij frontotemporale dementie, manie, obsessief-compulsief gedrag, schizofrenie en temporaalkwabepilepsie. Van een aantal van deze ziekten is bekend dat ze gepaard gaan met een ver¬hoogde activiteit van het belonende dopaminesysteem.

Richard Dawkins zei in 2006: “Als één persoon lijdt aan waanvoorstellingen dan heet dat krankzinnigheid. Als veel mensen tegelijk aan waanvoorstellingen lijden noemt men het religie.” Religieuze wanen kunnen inderdaad bij sommige neurologische en psychiatrische ziektebeelden ontstaan, als religie tenminste in de jeugd is ingeprogrammeerd in het brein. Na een epileptische aanval kunnen patiënten het contact met de werkelijkheid verliezen. Een kwart van deze psychosen heeft een religieuze inhoud. Religieuze wanen komen ook voor bij manie en depressie, als een eerste verschijnsel bij een frontotemporale dementie en bij schizofrenie.

Toen apostel Paulus nog zijn Hebreeuwse naam Saulus gebruikte en op weg was naar Damascus om op christenen te jagen, kreeg hij een extatische belevenis (Handelingen 9:1-9): ‘… toen hij Damascus naderde, dat hem plotseling licht uit de hemel omstraalde; en ter aarde gevallen, hoorde hij een stem tot zich zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? En hij zeide: Wie zijt Gij, Here? En Hij zeide: ik ben Jezus, die gij vervolgt… En hij kon drie dagen niet zien.’ De tijdelijke corticale blindheid na een epileptische aanval en Paulus’ bekering tot het christendom zijn vaker beschreven na extatische belevingen bij temporaalkwabepilepsie. Mohammed, stichter van de islam, had vanaf zijn zesde jaar een geschiedenis van epileptische insulten die gepaard gingen met religieuze ervaringen. In 610 na Christus krijgt Mohammed zijn eerste visioenen. Wanneer hij ligt te slapen op een afgelegen plaats in de heuvels rond Mekka, hoort hij een stem die hij later toeschreef aan de aartsengel Gabriël. De openbaringen van Gabriël werden na zijn dood opgetekend en verzameld als de soera’s van de Koran.

Na de geboorte vindt de religieuze programmering van het brein van het kind plaats. De omgeving waarin je opgroeit, zorgt ervoor dat tijdens de vroege ontwikkeling de religie van de ouders wordt vastgelegd in onze hersencircuits, op een soortgelijke wijze als onze moedertaal. De keuze religieus te worden of niet is zeker niet ‘vrij’. De al eerder genoemde Richard Dawkins ziet het ingeprogrammeerde geloof als een bijproduct van een andere eigenschap van de kinderlijke hersenen die een groot evolutionair voordeel heeft. Kinderen moeten van de ouders en andere autoriteiten onmiddellijk en zonder discussie waarschuwingen aannemen en aanwijzingen opvolgen willen ze niet voortdurend in groot gevaar komen. Als keerzijde van deze eigenschap zijn kinderen lichtgelovig. Indoctrinatie op jonge leeftijd is dan ook gemakkelijk. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor het alom aanwezig blijven van het geloof van de ouders. Het na-apen, dat de basis is voor ons sociaal leren, is een uitermate efficiënt mechanisme. We hebben er zelfs een apart systeem van ‘spiegelneuronen’ voor in onze hersenen.

Jonge kinderen hebben nog geen geloof, maar het wordt er bij hen door de christelijke, islamitische of joodse ouders ingeprent in een vroege ontwikkelingsperiode waarin ze zonder enige vorm van discussie of twijfel alles voor waar aannemen wat van de ouders komt. Zo worden de religieuze ideeën van generatie op generatie overgedragen en vastgelegd in onze hersencircuits. Jammer, want je hoeft kinderen niet te indoctrineren met religie. Ze kunnen hun spiritualiteit ook uitstekend inzetten voor kunst, wetenschap, milieu, of simpelweg om anderen, minder bevoorrechte mensen, een plezierig leven te geven. Kinderen zouden niet moet leren wat ze moeten denken, maar hoe ze kritisch moeten denken, en in volwassenheid hun eigen levensbeschouwelijke keuzes moeten kunnen maken. Het per religie gescheiden onderwijs voor jonge kinderen is niet alleen funest voor zo’n kritische ontwikkeling, maar vergemakkelijkt bovendien een afwijzende houding ten opzichte van andere geloven.

Lees meer over de werking van onze hersenen in het nieuwe boek van Dick Swaab: Wij zijn ons brein

Geef een reactie

Laatste reacties (182)