Laatste update 17:16
1.728
13

Historicus, Theoloog en Arabist

Gert Jan studeerde Geschiedenis, Theologie, Arabische Taal & Cultuur, Internationale betrekkingen, American studies en Middle East & Mediterranean Studies aan de Rijksuniversiteit Groningen, de Universiteit Utrecht, de University of Wisconsin-Madison, King's College London en de London School of Economics. Hij was in het verleden onder meer werkzaam voor de European Council on Foreign Relations in Londen en het Europees Parlement in Brussel en is thans woonachtig en actief in de Haagse Schilderswijk.

Diversiteit moet je simpelweg niet politiseren

Kijk naar de ‘golden skirts’: alleen vrouwen die daadwerkelijk onderdeel zijn van het quotum profiteren ervan

cc foto: Jeanna
cc foto: Jeanna

White privilege, white fragility, white stress, eurocentrische bullshit, een man die een safe space nodig heeft, een witte man die de hoogste standaard van privileges in dit land geniet, een historicus die het bij geschiedenis moet houden, whitesplaining, mansplaining, diversiteitsplaining en ga zo maar door. Een greep uit de terminologie die naar mijn hoofd werd geslingerd, in reacties, op sociale media en op diverse opiniesites, naar aanleiding van mijn stuk over de plannen van de UvA commissie diversiteit.

Ad hominems
Het was alsof het plotseling Ad Hominem’s regende, waarbij ik aan de gehanteerde terminologie te zien geregeld werd geprofileerd op basis van mijn etniciteit. In mijn stuk voor Joop schreef ik over hoe voorstanders van diversiteit, waar ik mezelf toe reken, moeten waken niet door te slaan in ‘diversiteitsfundamentelisme’, waar ik de voorstellen van de commissie diversiteit van de UvA, die diversiteitsquota, een diversiteitswaakhond en een verplicht vak diversiteit voor alle studenten weer onder schaar, en die mijns inziens op termijn diversiteit eerder zullen schaden dan bevorderen. Sommigen werden blijkbaar nogal geraakt door mijn duiding van dit diversiteitsfundamentalisme.

Gelukkig waren er daarnaast ook inhoudelijke reacties (al werden die helaas maar al te vaak gemixed met de bovengenoemde as hominem’s), en op twee daarvan zou ik graag hier in willen gaan. Beide verschenen op Joop. De eerste was van George Arakel, oprichter van Voorbeeld Allochtoon.

Arakel’s betoog draait om 3 punten: Ten eerste, een institutioneel probleem vraagt om institutionele oplossingen. Discriminatie is volgens Arakel in de UvA geïnstitutionaliseerd, en daarom moet er met diversiteitsquota, een vak diversiteit en een diversiteitswaakhond ook institutionele tegenmaatregelen genomen worden. De vraag is in hoeverre deze discriminatie wel degelijk geïnstitutionaliseerd is. Is hier beleid voor?

Discriminatie
Nee. Is de UvA qua samenstelling van bijvoorbeeld wetenschappelijk personeel geen afspiegeling van de Nederlandse samenleving? Jawel, 15% van het wetenschappelijk personeel aan de UvA heeft een niet-Westerse achtergrond, tegen 12,5% van de Nederlandse bevolking. En is het feit dat de UvA een commissie in het leven roept om voorstellen te doen m.b.t diversiteit niet juist een teken van het feit dat de UvA als institutie dit onderwerp serieus neemt?

Uit de gesprekken die deze commissie voerde bleek dat er zeker sprake is van discriminatie aan de UvA, en dat is een probleem wat aangepakt moet worden door daders simpelweg te bestraffen. Maar de vraag is of meer discriminatie (in de vorm van een diversiteitsquotum) hiervoor de beste oplossing is. Vandaar dat ik in mijn vorige stuk ook stelde dat je diversiteit niet moet politiseren, want dat zal alleen maar meer weerstand oproepen, maar in plaats daarvan als een gegeven zou moeten beschouwen.

Het tweede punt van Arakel is dat quota werken. Hij stelt daarbij dat ik geen enkel bewijs lever waarom quota geen goed idee zouden zijn. Zelf levert Arakel echter ook geen bewijs voor zijn stelling. Laat ik daarom hierbij dan onderbouwen waarom quota niet werken, en dus ook geen goed idee zijn. Als voorbeeld van een geslaagd quotum wordt vaak het Noorse vrouwenquotum aangehaald. Maar geslaagd voor wie?

Quota
Inmiddels is duidelijk dat er bij dit quotum geen sprake is van een ‘trickle-down effect’. Alleen de vrouwen die daadwerkelijk onderdeel zijn van het quotum profiteren ervan. Dit heeft een generatie van ‘golden skirts’ gecreëerd, maar niks opgeleverd voor vrouwen die niet direct zelf onderdeel waren een quotum. De effecten ervan waren dus nihil, behalve dan voor de golden skirts).

Ook quota op basis van etniciteit zijn vaak ineffectief, zo laat vergelijkend onderzoek in onder meer Maleisië, Zuid-Afrika en India zien. Er is opnieuw geen enkele indicatie dat een groep als geheel hiervan profiteert. Sterker nog, in sommige gevallen kan het zelfs negatief uitpakken voor leden van een bepaalde groep. Het kan bijvoorbeeld leiden tot stigmatisering van leden van de groep die door een quotum bevoordeeld worden, en daarnaast zijn leden van andere groepen die niet bevoordeeld worden maar die wel met achterstanden kampen hier ook vaak de dupe van . Conclusie: het lijkt er sterk op dat quota niet werken, en dat er zelfs negatieve effecten zijn voor groepen die men denkt ermee te helpen.

Dan het derde en laatste argument van Arakel, namelijk dat een vak diversiteit een goede zaak is omdat het van belang is dat studenten leren over culturen, racisme, vooroordelen, discriminatie etc. Hierin kan ik Arakel helemaal volgen, alleen is de universiteit niet de meest geschikte plek hiervoor.

Middelbare school
Een vak burgerschap op de middelbare school is ideaal om dit soort vraagstukken te behandelen. Studenten komen naar een wetenschappelijke instelling om zich te verdiepen in de wetenschap, en te specialiseren in een bepaald onderwerp. We doceren ook geen verplichte LHBT-voorlichting, burgerschapsvorming of vakken over pesten in het wetenschappelijk onderwijs. Dit alles komt aan bod in het basis- en middelbaar onderwijs, en het een goede zaak zijn voor de kwaliteit van dat middelbaar onderwijs om dit ook zo te houden.

Naast het artikel van Arakel verscheen er nog een reactie op mijn stuk op Joop, namelijk die van Harry Prins, communicatiemedewerker van een expertisebureau op het gebied van discriminatie en diversiteit. Ook Prins maakt in zijn betoog 3 centrale punten.

Golden Skirts
Als eerste stelt Prins dat ik met mijn verwijzing naar ‘fundamentalisme’ de deur direct dicht gooi omdat je volgens Prins niet met fundamentalisten kunt praten. Waarom dat niet zou kunnen is mij een raadsel. We hebben bijvoorbeeld een christelijke fundamentalistische partij in de Tweede Kamer zitten, waar we prima mee kunnen praten. Ook met andere vormen van fundamentalisme in onze samenleving gaan we aan de lopende band in gesprek. Er is dus geen sprake van een deur dicht gooien, alleen vanwege het vaststellen van een fundamentalistische houding m.b.t. diversiteit.

Het tweede punt dat Prins maakt komt overeen met het tweede punt dat Arakel maakt, namelijk dat quota werken. Hij haalt hierbij Neelie Kroes aan, die zelf profiteerde van een vrouwenquotum bij de Europese Commissie. Een mooi voorbeeld, want Kroes illustreert perfect mijn verwijzing naar de ‘golden skirts’. Kroes was een golden skirt bij uitstek, en daarom logischerwijs iemand die quota verdedigt. De vraag is alleen hoeveel vrouwen naast Kroes hebben geprofiteerd van het feit dat zij onder een vrouwenquotum viel. Het antwoord hierop moeten we schuldig blijven, want er zijn geen aanwijzingen dat anderen dan Kroes hiervan geprofiteerd hebben.

Wetenschap
Het laatste argument van Prins is dat het wetenschap toch niet objectief is, dit is volgens Prins een mythe, dus waarom zouden we een punt maken van het overboord gooien van het idee dat empirische wetenschap objectieve kennis oplevert, iets wat de UvA commissie diversiteit eveneens stelde. Tsja, als we de lijn van Prins doortrekken, dan kunnen we ons eigenlijk ook meteen afvragen waarom we überhaupt nog wetenschap beoefenen.

Wellicht is het naïef van mij, maar ondanks dat ik niet in volledige menselijke objectiviteit geloof ben ik wel van mening dat we hier als mensheid zoveel mogelijk naar moeten streven. Want wat onderscheidt de wetenschap anders van een ideologische praatclub, als we niet het streven naar objectiviteit ten allen tijde centraal stellen? Dat er niet altijd objectiviteit in de wetenschap is zou naar mijn mening juist reden moeten zijn hier nog harder naar te streven, i.p.v. dit ideaal volledig overboord te gooien, zoals Prins (en de UvA commissie diversiteit) graag wil.

Samenvattend kunnen we dus stellen dat er bij zowel de argumenten van Arakel als die van Prins de nodige vraagtekens te plaatsen zijn. Nergens beargumenteren beide heren overtuigend waarom de voorstellen van de UvA commissie diversiteit niet problematisch zijn. In stukken die elders verschenen wordt dat wel gedaan. Zo stelde Yernaz Ramautarsing, zelf een UvA student met een niet-Westerse achtergrond, in het Amsterdamse universiteitsblad Folia dat hij bang was dat door quota UvA-diploma’s minder waard zouden worden.

En de filosoof Sebastien Valkenberg kaartte in een stuk voor de Volkskrant het feit aan dat het voorstel voor een diversiteitsquotum in strijd is het het gelijkheidsbeginsel, als vastgelegd in Artikel 1 van de Grondwet. Ook kan een dergelijk quotum volgens Valkenberg, in het scenario dat achtergrond straks belangrijker wordt dan cijfers, afdoen aan de kwaliteit op de UvA.

Critici zouden daar weer op reageren door te stellen dat diversiteit óók kwaliteit is. Maar ook al kan diversiteit onder de juiste omstandigheden kwaliteit bevorderen (terwijl er overigens net zo goed een risico is dat het afdoet aan de prestaties), maar desalniettemin zouden op wetenschappelijke instellingen cijfers hét selectiecriterium moeten zijn, en moeten blijven.

Diversiteit in mening
Kortom, de argumenten tegen de voorstellen van de UvA commissie diversiteit lijken meer hout te snijden dan de argumenten voor. Maar wellicht zullen de voorstanders van de voorstellen dat anders zien, maar ook dat is diversiteit. En dat brengt mij tot het laatste, afsluitende, punt van dit stuk, een advies aan al diegene die de voorstellen van de UvA commissie diversiteit nu toejuichen: Diversiteit omhelzen betekent ook verschil van mening accepteren. Verschil qua opvattingen is namelijk óók diversiteit.

Je kunt niet voorstander van diversiteit zijn, en tegelijkertijd meningen die niet geheel in lijn zijn met jouw standpunt onacceptabel vinden en categorisch afwijzen. Juist een verschil in visie is een product van een diverse samenleving. Maar soms lijkt het wel of diegene die pleiten voor meer diversiteit het meeste weerstand bieden tegen alles wat afwijkt van de mening waar ze koste wat kost aan vast willen klampen.

Deze personen zouden zich af moeten vragen in wat voor samenleving ze willen leven: In een samenleving vol homogeniteit wat betreft meningen, en waar diversiteit dus ver te zoeken is, of in een diverse samenleving, die dialoog tussen individuen met verschillende opvattingen omhelst.

Ik kies voor die laatste optie. Ik neem aan jullie ook?

Geef een reactie

Laatste reacties (13)