Laatste update 20:04
3.285
60

eindredacteur Joop

Francisco van Jole is journalist en eindredacteur van Joop.
Verder is hij politiek commentator bij De Nieuws BV en presentator van Draad, een politieke talkshow in Arminius te Rotterdam.

Dommer door smartphones

Schermlicht is de nieuwe beltoon

Ik zat in het theater, een kleine zaal, in het midden van een rij. De zaallichten doofden, de artiest kwam op en toen zag ik vanuit m’n rechterooghoek dat iemand een paar stoelen rechts van me in het donker een smartphone tevoorschijn haalde. Het witte schijnsel van een chatscherm. Misschien nog even de babysit iets laten weten, verzon ik snel in een poging m’n nu al aanzwellende gevoel van irritatie onder controle te houden.

Op het podium was de artiest begonnen met de show. De zaal lachte. Wat was de grap geweest? Omdat ik dacht aan de babysit van de persoon drie stoelen verderop had ik even niet opgelet en miste de clou. En ik heb al zo’n moeite om me te concentreren in het theater. Een beweging van het gordijn, een vreemd soort kuch en m’n gedachten dwalen af naar het spook van de opera of de kaartjes van de griepgolf die over Europa trekt. Acht griepdoden in Griekenland las ik, waaronder opvallend veel jongeren. Misschien is dit wel de laatste voorstelling die ik zie, realiseerde ik me. Dat soort gedachten.

Nu was daar dus de smartphone van een medebezoeker die m’n aandachtsspanne aan gruzelementen sloeg. Dat witte licht, hoe afschuwelijk kan dat zijn. Negeren, strak vooruit kijken. Ah, het was alweer weg.

Ik probeerde me te concentreren op de voorstelling. Extra hard om het gemiste deel te compenseren. Het was een briljant betoog. Complex, gelaagd, grappig. Maar even later scheen het licht van de smartphone weer in m’n ooghoek. Wat voor gek zat daar in de stoel op de hoek van de rij? Blijf dan thuis! Heeft zo iemand niet door hoeveel je voor anderen verpest? Het is niet voor niets donker in theater.

Ik dacht ineens terug aan hoe ik dat zelf vroeger ook wel had gedaan. Dat een jongen achter me, aan het einde van een concert in Paradiso, plotseling tegen me was uitgevallen omdat hij zich doodergerde aan m’n telefoonscherm dat ik heel de tijd in de lucht stak. Maar dat was jaren geleden, in de tijd dat een smartphone nog nieuw was. Ik had de klacht indertijd weggewuifd, zoals een hardrijder het besef dat hij een gevaar op de weg is bagatelliseert. Ik was toen dus net zo erg geweest als die persoon nu daar een paar stoelen verderop. Of nou ja, bijna net zo erg want ik was destijds onwetend geweest en nu weet iedereen hoe irritant zo’n scherm is. Of kan dat weten. Schermlicht is de nieuwe beltoon.

O ja, de beltoon. Dat had ik ook nog eens meegemaakt, herinnerde ik me plots, dat ik in een voorstelling zat en m’n telefoon luid afging. Toen ik notabene naast een actrice zat. Ze had me een dodelijke blik toegeworpen en me misprijzend toegebeten ‘amateur…’ Dat was altijd blijven hangen. Erger dan klootzak, gutmensch of wat ik anders allemaal naar m’n hoofd krijg. Niemand wil amateur genoemd worden, al zijn we het allemaal.
O, wacht. Het zal toch niet? Ik wurmde snel m’n hand in m’n broekzak en betastte mijn foon. Gelukkig, de muteknop was al ingedrukt.

Het publiek lachte. Weer een grap gemist.

Ik probeerde me te concentreren. Focussen. Niet opzij kijken. Even later dook het witte scherm opnieuw op aan de rand van m’n blikveld. Wel godverdomme. Hadden de mensen die er pal naast zaten daar dan geen last van? Hoe konden ze het verdragen? Misschien was het familie van elkaar en waren ze het gewend. In iedere familie zit wel iemand die zich asociaal gedraagt en waar je nooit vanaf komt. Daar leer je berusting van.

Ik hield nu m’n rechterhand als een oogklep aan de zijkant van m’n hoofd om het schijnsel uit m’n blikveld te bannen. Misschien zou degene naast me het opmerken en dan begrijpen dat er ingegrepen moest worden.

Afgelopen weekend had er nog zo’n figuur voor me in de bioscoop gezeten bij het filmfestival in Rotterdam. Die zat te appen tijdens de film. Of liever gezegd door haar chats te scrollen. Mijn hele filmbeleving explodeerde. Ik kon door dat kleine kutschermpje het verhaal op dat enorme witte doek niet meer volgen. Uiteindelijk had ik voorover geleund en zo kalm mogelijk gevraagd of ze het scherm uit wilde doen. Misschien moest ik dat hier ook doen.

Ik wilde de voorstelling volgen maar m’n gedachten bleven afdwalen. Moest ik opzij buigen en de persoon in kwestie die drie of vier stoelen verderop zat fluisterend iets toebijten. Dat kon toch niet? En bovendien, wat als die zich daar niks van aan zou trekken? Dan stond ik dubbel voor lul. Ik zou zo in ieder geval de voorstelling voor de mensen naast me verstoren.

Voorstelling. O ja, daar was ik voor naar het theater gekomen, tientallen euro’s had ik er voor betaald en nu was zo’n aso dat allemaal aan het verpesten. Misschien ging het helemaal niet om de babysit, misschien vond de persoon de voorstelling gewoon niet interessant en zat hij te candycrushen of zoiets.

Omdat ik van m’n moeder heb geleerd dat je je eigen fouten het eerst in iemand anders herkent ging ik in een poging te bedaren bedenken dat ik zelf niet anders was. Ik dacht aan de vele momenten dat ik naar mn smartphone had gegrepen, uit gewoonte of omdat verveling dreigde. In de meest ongewenste situaties. In gezelschap, in een restaurant, tijdens vergaderingen. Dat deed ik gelukkig allemaal niet meer tegenwoordig. Nu stoorde het me, zoals een ex-roker zich stoort aan rokers. Wat een asociale apparaten zijn het, zoals je als stopper denkt ‘wat een stank’.

Er klonk gegrinnik. Daar ging weer een gemiste grap. Het bleef nu wel donker rechts. Al een tijd. Ik probeerde me voor de zoveelste keer te concentreren. Lastig, want ik ging onwillekeurig zitten wachten tot het smartphonescherm weer tevoorschijn gehaald zou worden. Zoals je in bed kunt liggen wachten op het gezoem van een mug die je uit je slaap houdt.

In m’n broekzak voelde ik een trilling. Een app of newsflash. En nog een. En weer een. Een hele reeks. Het leek wel een vibrator. Wat zou er aan de hand zijn? Ik kon nu natuurlijk niet kijken want dan zou ik de hele voorstelling niets meer kunnen zeggen tegen de schijnselterrorist drie stoelen verderop. Dat had ik wel eens meegemaakt met een kletsend stel in de bios. Voorzichtig gevraagd stil te zijn. Dat lukte wonderwel maar toen ik even later iets fluisterde in het oor van de vriend naast me was meteen hun reactie: zie je wel, hij praat zelf ook!

Die meldingen. Misschien was er een aanslag. God verhoede het. Dat er nu iets gebeurt en dat je het niet weet omdat je in het theater zit. Dat repareer je nooit meer. Je spreekt ze wel eens. Mensen die tijdens 9/11 ergens ver in de bergen hadden gezeten, verstoken van alle media en er pas dagen later van gehoord hadden. Dat kon je nooit meer inhalen. De wereldgeschiedenis lijkt iets wat altijd beschikbaar is maar als je zoiets mist kun je er alleen maar over praten zoals je over de slag bij Waterloo praat. Je was er niet bij.

Of andersom. Ooit zat ik in stampvolle zaal toen de voorstelling werd stilgelegd omdat iemand in het publiek onwel werd. Een brancard kwam de zaal in, ik maakte snel een foto. Een vrouw naast me barstte in woede uit. Ze begon te tieren. Had ik dan helemaal geen respect? Ik ben journalist. Ik moet het vastleggen, wierp ik beschroomd tegen. Misschien zou later wel blijken dat het pakweg prinses Christina was die daar onwel werd en dan had ik het historische beeld gemist. Dat kon ik me niet veroorloven, dacht ik toen. Zou ik nu ook niet meer doen. De interessantste gebeurtenissen zijn tegenwoordig juist die waar geen beelden van bestaan. Als je een bijzondere ervaring wilt hebben moet je ‘m voor jezelf houden.

Er trilde niets meer. En het bleef ook donker rechts van me. Rust.

Laatst had ik overwogen om m’n mobiel voortaan gewoon de hele dag uit te zetten. En nog maar drie keer per dag even aan te doen om te checken. Bij het onbijt, de lunch en het diner. Een gevoel van zaligheid had me overvallen bij louter de gedachte. Dat had me verrast. Alsof je op een dag merkt dat je overlastgevende buren aan het verhuizen zijn. Eindelijk vrij. Mute March als aanvulling op Dry January, zou dat wat zijn?

Maar ik moest het plan snel laten varen. In mijn werk kan dat gewoon niet. Ik moet altijd weten wat er gebeurt. Om het snel aan anderen door te kunnen vertellen. Een journalist zonder smartphone is als een chauffeur zonder auto.

Het was al zeker vijf minuten donker naast me. Misschien wel tien. Bleef dat nu zo? Ik draaide m’n ogen naar rechts. Ik kon niet echt goed zien wie er zat. Maar een heel klein beetje schijnsel kwam weer tevoorschijn. Ik draaide nu mijn hele hoofd en toen zag ik het. Langs de traptreden van de omhooglopende zaal waren kleine lampjes aangebracht die een zacht schijnsel gaven. Aan het einde van de rij zat iemand die met zijn benen zo’n lichtje blokkeerde. Maar als hij even bewoog kwam het tevoorschijn. Dat was het licht dat ik steeds in m’n ooghoek zag verschijnen.

Ik keek voor me uit. Had ik me heel de tijd geërgerd aan iets dat niet bestond. Dat ik alleen maar in m’n hoofd gehaald. Er was nooit een smartphone geweest. Ik dacht aan de Twitter-berichten over ‘de oorlog tegen kerst’ en dat soort onzin. Mensen die zich druk maken om dingen die niet bestaan. Halve garen, idioten. En ik was net zo.

Op het podium werden toevallig net wat grappen afgevuurd over smartphones. Over hoe ze mensen dommer maken. Ik kon er niet om lachen. M’n mond werd droog. Ik staarde voor me uit en dacht even helemaal niets meer.

Even later zag ik dat twee stoelen links van me een vrouw de handtas op haar schoot opende en tijdens de voorstelling in een fractie van een seconde snel op haar scherm keek. Een zwak schijnsel en het duurde maar heel even, maar ik had het toch gezien. Gelukkig.

Geef een reactie

Laatste reacties (60)