3.899
42

Eindredacteur Witteman ontdekt

Maarten van den Heuvel begon zijn journalistieke loopbaan in de redactie van de talkshow I.S.C.H.A van Ischa Meijer. Na het abrupte einde aan dat programma werkte hij ondermeer bij RUR en was hij als researcher in dienst van documentairemaakster Ireen van Ditshuyzen.

Zijn dienstverband bij de VARA begon bij het programma Barend & Witteman, eerst als redacteur, later als coördinator en kort als eindredacteur. Hij zette samen met Paul Witteman het populair wetenschappelijke programma Nieuwslicht op en werd er eindredacteur van. Vanaf het begin van Pauw & Witteman werkte Van den Heuvel er drie jaar als samensteller.

Daarna was hij eindredacteur van de televisieprogramma's 'Eigen schuld, dikke bult' en EZ, betrokken bij Joop en een van de twee eindredacteuren van het documentaire-drieluik 'Vrijheid, gelijkheid, broederschap', waar hij ook het boek 'Vrijheid, gelijkheid, broederschap. Oude waarden in nieuwe tijden' over schreef. Dat boek werd geselecteerd voor de longlist van de Socratesbeker, de prijs voor het meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek.

Momenteel is hij eindredacteur van het televisieprogramma Witteman ontdekt.

Dood door eten

Vanavond in EZ: waarom slagen we er maar niet in om de wereldwijde obesitas-epidemie te stoppen?

Vandaag bracht The Lancet de resultaten naar buiten van een groot onderzoek naar overgewicht: inmiddels is bijna 1 op de 3 mensen ter wereld te dik. Ons voedingspatroon leidt tot grote gezondheidsproblemen. Volgens professor Johan Mackenbach, epidemioloog aan het Erasmus MC en lid van de gezondheidsraad, sterven alleen al in Nederland jaarlijks tussen de 15.000 en 20.000 mensen aan dat ongezonde voedingspatroon. Vrijdag gaat EZ over de vraag hoe dat komt en wat er aan te doen valt.

Als de gevolgen zo groot zijn, dan zou je verwachten dat er actie wordt ondernomen om er iets aan te veranderen. Maar ‘het werd duidelijk dat geen enkel land een significante doorbraak heeft gemaakt om overgewicht te verminderen’, aldus de onderzoeker van de studie in The Lancet, Christopher Murray.

In Nederland zeggen politici over het hele spectrum zich zorgen te maken over deze ontwikkelingen. Minister Schippers van Volksgezondheid sloot daarom in januari van dit jaar een convenant met de koepels van supermarkten, voedselproducenten, horecaondernemingen en cateraars om de hoeveelheid zout, suiker en vet in voeding omlaag te brengen. Maar hoeveel en hoe, dat mag de branche zelf weten. Er zijn geen richtlijnen en geen sancties. Zelfregulering is de norm, geheel in lijn met het momenteel dominante vrije markt-denken.

Econoom Paul Frijters vat het orthodoxe idee daarover als volgt samen: ‘Dit gestileerde beeld is tamelijk coherent en zelfvoldaan, hebzuchtige individuen produceren door de onzichtbare hand van de markt uiteindelijk waar ze het beste in zijn. Hun instellingen en organisaties ontstaan vanuit competitie, wat ertoe leidt dat instellingen en organisaties de laagste kosten maken en er tussen hen een evenwicht valt te observeren.’ Dat evenwicht behelst dan de scherpste verhouding tussen vraag en aanbod, en daar is iedereen bij gebaat. Zo krijgt iedereen wat zijn hartje begeert voor de scherpste prijs.

Maar daarmee geven economen nog niet aan waarom dat zo is en hoe dat dan werkt. Al sinds Adam Smith hebben economen gezocht naar een model dat een antwoord op die vraag kon bieden. Een belangrijke stap in die zoektocht was de algemene evenwichtstheorie van Kenneth Arrow en Gérard Debreu. Begin jaren vijftig publiceerden zij een veelgeroemde wiskundige vergelijking die aantoonde dat er in de vrijemarkteconomie een evenwicht kon bestaan, waarbij sprake was van een efficiënte verdeling van goederen.

Dat model kent een aantal problemen. Niet de minste daarvan is dat het inmiddels is verworpen door Debreu zelf en door alle micro-economen die er sindsdien verder aan hebben gewerkt. Een van hen, Frank Hahn, verwoordt het als volgt: ‘We hebben geen goede reden om aan te nemen dat er krachten zijn die de economie tot een evenwicht leiden.’ Zelfs niet op perfecte markten, die eveneens inherent instabiel zijn. De onzichtbare hand van Adam Smith is kennelijk toch niet zo’n goed gekozen metafoor.

Wat het model van Arrow en Debreu wel aantoont, is dat er een evenwicht zou kunnen bestaan. Maar daarvoor is een hele serie aannames nodig, die niet altijd even geloofwaardig zijn. Een daarvan is dat sprake moet zijn van perfecte concurrentie en dus het ontbreken van schaalvoordelen. Een andere voorwaarde is dat alle actoren op de markt te allen tijde over alle relevante informatie beschikken. Dat wil zeggen dat handelaren en consumenten in staat zijn tot ver in de toekomst hun behoeften en omstandigheden rationeel in te schatten. Joseph Stiglitz kreeg zijn Nobelprijs voor zijn onderzoek naar de rol van informatie op de vrije markt. Een van de dingen die hij concludeerde, is dat er geen situaties zijn waarin iedereen beschikt over alle relevante informatie. In zijn dankwoord refereerde hij nog even aan Arrow en Debreu: ‘In feite had het Arrow-Debreu-model de énige verzameling aannames geïdentificeerd waaronder markten efficiënt waren.’

Toch geloven veel mensen nog in de superioriteit van het vrije markt denken. Een van de invloedrijkste naoorlogse economen, Robert Lucas, heeft veel bijgedragen aan het idee dat dat in de praktijk ook daadwerkelijk het geval is. Hij ontwikkelde de rationele verwachtingshypothese. Op basis daarvan concludeerde hij dat het meer theoretische werk van Arrow en Debreu een weergave vormde van de werkelijke situatie in de hele economie. Daarom moest de markt zo veel mogelijk worden gedereguleerd, belastingen verlaagd en sociale zekerheden teruggeschroefd. Deze ideeën wonnen gaandeweg aan terrein binnen de economische wetenschap.

Maar inmiddels komen economen daar massaal van terug. Volgens de Groningse econoom Dirk Bezemer moeten we de economische theorieën over de vrije markt dan ook helemaal niet toepassen op feitelijke markten als de voedselmarkt. Ze zijn een ‘fictie’ die kan helpen het denken te structureren, maar niet meer dan dat. Volgens hem zijn er twee belangrijke elementen waarop je kan zien dat er geen vrije markt is op veel plekken, waaronder de markt voor voedsel. Dat zijn de beïnvloeding van consumenten en het gebrek aan competitie.

Een vrije markt werkt alleen als er sprake is van wat consumenten-soevereiniteit wordt genoemd. Dat wil zeggen dat die markt bepaald wordt door wat consumenten willen. De klant is koning. Het gedrag van producenten wordt dan bepaald door de voorkeuren van consumenten. Zij kijken naar wat de consument wil hebben en produceren dat. Op die manier draagt de vrije markt bij aan de vrijheid van de consumenten, die krijgen wat ze willen hebben. Maar in de praktijk is het eerder andersom. Wat bedrijven doen bepaalt voor een groot deel wat de consumenten willen. Daar hebben ze uitgebreide marketing truuks voor en dat levert bedrijven marktmacht op: ze beïnvloeden de consumenten. Die zich ook makkelijk laten beïnvloeden. Er is geen ‘level playing field’, waarop bedrijven en consumenten als gelijken tegenover elkaar staan.

Maar wacht even, dat kinderen zich laten beïnvloeden ok, maar volwassenen beschikken toch over zoiets als wilskracht? Wilskracht wordt vaak gezien als een karaktereigenschap. Maar uit onderzoek wordt steeds duidelijker dat het niet zo simpel is. In een experiment werden de proefpersonen in twee groepen verdeeld. De ene helft werd gevraagd een eindeloze serie keuzes maken, zoals: Nodig je je werkgever uit om vriend te worden op Facebook? Of: heb je liever 100 euro nu, of 200 euro over twee weken? De andere groep kon in de tussentijd even rustig kletsen.

Daarna moest iedereen meedoen aan een klassieke wilskrachttest: houd je hand zo lang mogelijk in een bak met ijswater. De mensen die net een hele serie keuzes hadden moeten maken, hielden dat beduidend minder lang vol, dan de andere groep. Dat komt, omdat wilskracht net een spier is, die moe kan worden, naarmate je hem meer gebruikt. Dus, hoe meer verleidingen je tegenkomt, hoe meer je wilskracht afneemt. En in onze huidige maatschappij komen we meer verleidingen tegen dan ooit tevoren. Er is wel eens uitgerekend dat een gemiddelde westerling zo’n 20% van de tijd dat hij wakker is, bezig is met het weerstaan van verleidingen.

Een tweede element is het ontbreken van echte competitie. Het denken over de vrije markt stamt uit een tijd dat er heel veel kleine bedrijfjes waren die elkaar in evenwicht hielden. Als er een bedrijf gek ging doen en een agressieve campagne ging voeren, bijvoorbeeld om suikers te promoten, dan kon je altijd makkelijk naar een ander bedrijf toe dat dat niet deed. Maar tegenwoordig zie je op veel markten dat er maar een paar grote producenten zijn, die zich niet heel veel van elkaar onderscheiden.

In zo’n situatie is het nodig om een tegenmacht te organiseren. Dat zit niet in de markt zelf ingebakken, daar is dat evenwicht er niet. Dat zou kunnen via consumentenorganisaties, maar ik denk dat die nooit voldoende in staat zullen zijn om die tegenmacht te bieden. Tot nu toe hebben ze die rol in ieder geval niet kunnen waarmaken. Ik denk dat alleen de overheid sterk genoeg is om dat te bereiken. Daarom zou de overheid ook die rol moeten willen spelen en alle misvattingen over zelfregulering overboord moeten zetten.

EZ, vrijdagavond om 21.25 uur op Nederland 2

Van Maarten van den Heuvel verscheen onlangs het boek Vrijheid, gelijkheid, broederschap. Oude waarden in nieuwe tijden. 

Volg Maarten van den Heuvel ook op Twitter


Laatste publicatie van MaartenvandenHeuvel

  • Vrijheid, gelijkheid, broederschap

    Oude waarden in nieuwe tijden

    2014


Geef een reactie

Laatste reacties (42)