Laatste update 18:44
6.791
73

Antropoloog

Martijn de Koning is verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen en Universiteit van Amsterdam. Hij doet onderzoek naar onder andere identiteitsvorming van jonge Marokkaans-Nederlandse moslims, 'salafisme' en moslims die vanuit Nederland naar Engeland gemigreerd zijn. In 2008 promoveerde hij op zijn proefschrift Zoeken naar een 'zuivere' islam en recent schreef hij met anderen het boek 'Ervaren en ervaren worden - opstellen over langdurig sociaalwetenschappelijk veldonderzoek'.

Het raciale Europa – de discussie over cultuurracisme en islamofobie

Kritiek op religieuze doctrines, uitspraken en handelingen is niet per definitie racisme

1. In september 2017 werden in New York een moeder en haar dochter aangevallen door een man die riep ‘go back to your fucking country you dirty Muslims, waarna hij hen bespuwde en tegen de grond sloeg.

2. De speciale commissie van het Europees Parlement verzoekt de lidstaten in een (ontwerp-)rapport om in het kader van terrorismebestrijding alleen islamitische praktijken die in volledige overeenstemming zijn met EU waarden te tolereren, geestelijk verzorgers te screenen en islamitische ‘haatpredikers’ op een zwarte lijst te zetten.

3. ‘Nu, de knieval van Zweden voor de militante islam is allang bekend. Op de politie rust zelfs de dwang van een ‘code 291’, die gebiedt geweld door moslims, waaronder aanranding van vrouwen, voor de openbaarheid te verzwijgen. Kwestie van niet te ‘stigmatiseren’. Want laten we wel wezen, de echte slachtoffers zijn niet degenen die het voorwerp zijn van dat geweld, maar de daders ervan.’ (Mia Doornaert: Europa, leg je sluier af, in De Standaard, 23 februari 2017.)

islamNiet geheel willekeurig, drie verschillende voorbeelden van uitingen van islamofobie die alle drie weer heel anders zijn. Het eerste is een voorbeeld van geweld tegen burgers door een andere burger (particuliere islamofobie), het tweede een mogelijk verdere institutionalisering van islamofobie (zoals collega Sohail Wahedi recent stelde in het Nederlands Dagblad) en het derde een voorbeeld van politieke islamofobie waarin politici of andere stemmen in het publieke debat stemming maken tegen moslims. Dit derde voorbeeld is ook de aanleiding voor dit stuk, of preciezer gesteld, dit en andere voorbeelden van islamofobe uitspraken door Mia Doornaert bracht Bleri Lleshi ertoe te protesteren tegen haar benoeming als nieuwe voorzitter van het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL): ‘Ze produceert, verspreidt en normaliseert racisme en islamofobie.’

Lleshi ziet islamofobie als een vorm van racisme: cultuurracisme. Dat was vervolgens weer de opmaat voor een heus debat in Vlaanderen over ‘cultuurracisme’. Ik wil aansluiten bij deze discussie en voornamelijk twee punten naar voren brengen: een absolute scheiding tussen biologisch racisme en cultureel racisme (islamofobie) is problematisch (maar een onderscheid is wel noodzakelijk) en er is niet slechts biologisch racisme, maar er zijn allerlei variaties van racisme.

De scheiding tussen ideeën en vreemdelingen
In een niet al te verheffende bijdrage (met termen als hitteslag, perfide miskleun, onzinnig, enzovoorts) stelt Boudry dat de term cultureel racisme een oxymoron is: ‘Racisme verwijst naar de haat, benadeling, uitsluiting en/of discriminatie van mensen omwille van onveranderlijke biologische kenmerken. Maar ideeën zitten niet in onze genen, en culturen hebben geen huidskleur.’ Dat racisme met biologie te maken heeft is voor Boudry net zo duidelijk als een paard te maken heeft met een hoefdier.

De term cultureel racisme heeft dan nog een nadeel volgens hem, namelijk dat het in strijd zou zijn met een belangrijke verworvenheid van de Verlichting: namelijk het bekritiseren van ideeën en denkbeelden los van de mensen die ze aanhangen. Hoewel Boudry erkent dat bij vooroordelen over ‘vreemdelingen’ raciale en culturele elementen in elkaar kunnen overlopen, wil hij toch de scheiding tussen cultuur en biologie aanhouden. Maar dat is dus het probleem hier: anti-islam activisten, politici en beleidsmakers maken lang altijd niet die scheiding en voor een analyse van racisme moet dat dus samen geanalyseerd worden.

De taxonomie van de mensheid
Het is dus een misvatting om te stellen, zoals Rotthier vervolgens doet in een overigens lezenswaardige bijdrage, dat racisme alleen op biologische verschillen zou slaan. Het begrip ‘ras’ kan verwijzen naar ideeën over biologische verschillen tussen mensen, maar welke verschillen dan relevant gevonden worden, de betekenissen ervan, de selectieve hiërarchieën, zijn altijd het resultaat van sociale, historische processen.

Racisme is daarmee enerzijds een sociale praktijk en anderzijds een structureel element in onze geschiedenis (en dus geen aangeboren kenmerk zoals Stef Blok past betoogde en Dirk van Duppen hier krachtig weerlegt). En dan gaat en ging het nooit alleen om een selectie van relevant geachte biologische verschillen.

In de Europese geschiedenis van racisme, zien we dat verschillende ideeën een rol speelden om de wereld in groepen in te delen: ideeën over de huidskleur van de ander (bv zwarte Afrikanen, rode ‘indianen’), religie dan wel cultuur van de ander (niet-christelijk) en soms een mengeling daarvan (‘gele moslims’). Deze taxonomie kan, al naar gelang tijd en plaats, ook weer diverse betekenissen krijgen. Het idee dat bijvoorbeeld joden en moslims niet-christelijk zijn, pakte in de geschiedenis voor beide groepen anders uit, maar die geschiedenissen zijn wel nauw met elkaar verweven. En ook ideeën over geografie speelden een rol. Zo werden de verschillen tussen christelijk enerzijds en moslim anderzijds bijvoorbeeld gemaakt in termen van ‘Europeanen’ vs ‘niet-Europeanen’. Met andere woorden de wij-zij indeling kreeg zowel een territoriale als biologische als cultureel/religieuze betekenis.

En het hedendaagse racisme kan moeilijk los gezien worden van de Verlichting die, zoals mijn Nijmeegse collega Anya Topolski terecht betoogde, ‘de weg vrijmaakte voor cultureel racisme’ waarbij er wordt uitgegaan van ‘een soort culturele vooruitgang[…], gekoppeld aan bepaalde groepen mensen (meestal taalkundige of nationale gemeenschappen).’ Niet dat raciaal denken voor de Verlichting niet bestond, maar de productie van taxonomieën van menselijk rassen op basis van primair (maar nooit uitsluitend) een selectie van zichtbare biologische kenmerken, was het werk van wetenschappelijk racisme dat opkwam met de Verlichting bijvoorbeeld het werk van Blumenbach en op een andere manier ook dat van De Gobineau.

Onder meer studies van Gilroy (1993), Mills (1997) en Goldberg (2002) laten zien hoe het project van de moderniteit en de moderne natie-staten raciale projecten zijn. Daarbij werden raciale categorieën en betekenissen gevormd op basis van reeds historisch gegroeide ideeën over verschillen tussen groepen. Religie speelde daar, in ieder geval voor Europa een belangrijke rol in. Zo stelde Mills (1997) dat Europese noties over hiërarchische groepsverschillen op basis van amalgamen aan ideeën over religie (christelijk vs niet-christelijk), beschaving en geografie uiteindelijk resulteerden in de basistegenstelling wit vs niet-wit. De tegenstelling christelijk vs niet-christelijk was vooral een tegenstelling tussen christenen en moslims en christenen en joden. Hoe belangrijk de rol van religie is (geweest) is een onderwerp van discussie (zie bijvoorbeeld Omi en Winant hierover maar ook het werk van Topolski).

Hiërarchie
Dit alles betekent dat racisme per tijd en plaats kan verschillen en logischerwijze ziet de racialisering er ook anders uit per object ervan: de racialisering van zwarte mensen loopt anders dan die van moslims, joden, sinti/roma of van mensen die tot meerdere categorieën worden gerekend. Maar in alle gevallen keren drie fenomenen voortdurend terug in de taxonomie van ‘de moslim’: historisch gegroeide hiërarchieën en beelden, essentialisering en hypergeneralisering. De afkeer en vijandigheid ten opzichte van moslims is al eeuwen gangbaar in Europa (naast vreedzaam samenleven, uitwisseling en dialoog) zoals ik heb betoogd in een reeks over islamofobie voor KifKif.

Variërend van beelden van de islam als valse religie, moslims als barbaren, moslimvrouwen die verleidelijk dan wel onderdrukt zouden zijn, enzovoorts. We zien het allemaal terug in eeuwenoude geschriften over islam en oriëntalistische discoursen over het Midden-Oosten zoals beschreven en geanalyseerd door Edward Said. Het is ook niet toevallig dat veel spotprenten over moslims vaak dezelfde kenmerken laten zien en dat de islamofobe retoriek van de War on Terror overlapt met eeuwenoude stereotypen en vijandigheden ten opzichte van moslims.

Essentialisme
Naast die historische component is cultureel dan wel religieus essentialisme cruciaal om te bepalen wanneer kritiek op islam islamofoob is. Culturele en religieuze essentialisering, in relatie tot islam zorgt ervoor dat men mensen, in essentie als culturele of religieuze subjecten bekijkt. Mensen worden gereduceerd tot dragers van een bepaalde cultuur of van een bepaalde religie die van oorsprong in een bepaald gebied thuishoort en goed te onderscheiden is van andere culturen. Het gaat dan niet om de cultuur of religie zoals moslims die zelf zien, maar om het beeld dat buitenstaanders daarvan hebben. In die manier van denken wordt cultuur gezien als iets waartoe je behoort en die jouw essentie bepaalt. Die cultuur of religie is dan een ‘ding’ op zich, iets dat jouw handelen verklaart los van de context. Het idee is dan met andere woorden dat het zijn en handelen van mensen volledig bepaald wordt door hun cultuur. Of preciezer: we denken dat hun zijn en handelen wordt bepaald door het beeld dat we over hun cultuur hebben.

Het is dan ook geen toeval dat het er soms niet eens toe doet of een bepaald fenomeen daadwerkelijk met moslims te maken heeft: het gaat er minder om wat moslims zijn of doen, maar meer om de betekenissen die daaraan worden gegeven door dominante groepen. Neem de genoemde uitspraak van Doornaert over de Zweedse politiecode 291. Inmiddels is al lang aangetoond dat die code niets te maken heeft met wie dan ook het zwijgen op te leggen, sterker nog de code verwijst ook niet naar
moslims. Het gaat om een registratiecode van de Zweedse politie om het werk in relatie tot asielzoekercentra in kaart te brengen. Maar Doornaert maakt er, in een stuk over de hoofddoek, moslims van. Zeker wanneer we andere uitspraken van Doornaert erbij halen, zoals Birsen Taspinar deed, dan zien we dat ze bij haar (maar ook bij anderen) passen in een breder patroon van opiniemakers en politici die groepen burgers proberen te mobiliseren over de rug en ten koste van een andere groep burgers.

In het eerste genoemde voorbeeld, de vrouwen die zijn aangevallen, dat waren geen moslims maar Joden. Dat maakte voor de dader niet uit: hij dacht ze te ‘herkennen’ als moslim en viel daarom aan en vond ze dat naar hun ‘eigen’ land moesten. Met andere woorden, het gaat er niet om welke religie deze vrouwen ‘gekozen’ zouden hebben, maar om hoe de dader hen classificeert en vervolgens ernaar handelt.

Hypergeneralisering
In het tweede voorbeeld ligt het iets gecompliceerder, maar het conceptrapport voor het EU parlement komt er op neer dat onder de vlag van politiek geweld we een beleidscategorie in het leven hebben geroepen (‘radicale islam) en dat er een regulering zou moeten worden opgelegd aan alleen moslims. Er worden geen andere haatpredikers blacklisted, alleen als ze moslim zijn. En alleen het geloof van de moslim moet in overeenstemming worden gebracht met de waarden van de EU. Geen unieke aangelegenheid zoals Omar Sayadi heeft laten zien in zijn bijdrage aan deze discussie.

En daarmee zijn we op het derde component: hypergeneralisering: met het beeld over islam worden grote groepen moslims over één kam geschoren zelfs wanneer een fenomeen niet (uitsluitend) over moslims gaat. Maar ook Europeanen worden neergezet als een aparte categorie van moslims en alsof deze allemaal dezelfde waarden aanhangen. En al zouden sommige zaken wel betrekking hebben op moslims (zoals het aanwezige anti-zwart racisme onder moslims) dan nog zou er sprake zijn van hypergeneralisering als op basis van de beschikbare cijfers daarom speciale maatregelen worden getroffen die alleen en/of grote groepen moslims treffen.

Van kritiek naar anti-moslimracisme
Overigens mag dan cultureel/religieus essentialisme de boventoon lijken te voeren als het gaat om moslims, ook biologisch essentialisme speelt een rol in relatie tot islamofobie. Amerikaanse onderzoeken naar zwarte moslims en Europese onderzoeken naar witte moslims, laten bijvoorbeeld goed zien hoe witte en zwarte moslims op een andere manier met islamofobie te maken krijgen dan degenen die als Arabisch worden aangemerkt.

In relatie tot religiekritiek en racisme betekent dit het volgende: kritiek op religieuze doctrines, uitspraken en handelingen van religieuze leiders en leken is niet per definitie racisme zoals ook Sophie Lauwers in een interessante bijdrage stelde, hoewel ik haar onderscheid tussen anti-moslim racisme en islamofobie niet deel. Wanneer die kritiek vertrekt vanuit essentialisering en hypergeneralisering wordt de kritiek an sich al een uiting van racisme – zeker als je dat doet met historisch gegroeide vooroordelen en stereotypen. Eigenlijk zouden zogeheten islamcritici blij moeten zijn met het werk van mensen als Lleshi en Topolski, zij geven immers handvatten om te bepalen wanneer je kritiek of afkeer van islam racistisch van aard wordt.

Gilroy, Paul (1993) The Black Atlantic Modernity and Double Consciousness, Harvard University press
Goldberg, David Theo (1993) Racist Culture Philosophy and the Politics of Meaning , US: Blackwell
Goldberg, David Theo (2002) The Racial State, US: Blackwell
Mills, Charles (1997) The Racial Contract , Cornell University press
Omi, Michael, & Winant, Howard (1994). Racial formation in the United States: From the 1960s to the 1990s. New York: Routledge.

Cc-foto: mr.urganci

Geef een reactie

Laatste reacties (73)