4.115
103

Sociale wetenschapper

Rob Gallenkamp is een sociale wetenschapper (sociologie en politicologie) en heeft gewerkt aan de Hogeschool Utrecht en de Universiteit Utrecht. Hij schreef eerder over het buitenlands beleid van de Verenigde Staten. ‘Waarom Washington Meer Wapens Wil’ (1987, met een voorwoord van Jan Pronk).

Hoezo ‘moslimgeweld’?

De religieverklaring is op een enkele uitzondering na moeilijk of niet hard te maken

In een lezenswaardig artikel bespreekt Joyce Brekelmans de dilemma’s rond de term moslimgeweld. Ze toont weinig sympathie voor zogeheten ‘benoemers’, personen die vinden dat je problemen duidelijk moet benoemen, en dat doen door blikken wandaden van moslims open te trekken.

Aan de andere kant merkt ze terecht op dat het weinig zinvol is beschuldigingen van moslimgeweld tegen te spreken door talrijke voorbeelden van ander geweld te noemen. Hoewel ik het op dit punt met haar eens ben, zal ik straks toch zulke voorbeelden gebruiken om het problematische van de term ‘moslimgeweld’ te illustreren.

Maar wat is eigenlijk ‘moslimgeweld’? Joyce bespreekt een nogal ruime interpretatie van de term, zoals vooral gebruikt door ‘benoemers’. Het zou gaan om geweld waarbij de dader met een moslimvlag wappert, of geweld vanuit of in gebieden waar de meerderheid moslim is, of geweld van mensen die familie in een ‘moslimgebied’ hebben. Met deze – door Joyce bewust wat los beschreven omschrijving – kan alle geweld in de wereld van de afgelopen eeuwen worden ingedeeld in christen-, moslim-, hindoe- of joods geweld.

Theo van Gogh
De 1e en 2e wereldoorlog zijn volgens de zojuist genoemde omschrijving voorbeelden van christengeweld, en wat aantallen slachtoffers betreft vormt dit geweld de absolute top. Deze 2 oorlogen kostten volgens uiteenlopende schattingen 80 tot 115 miljoen doden. Moslimgeweld is hierbij vergeleken kruimelwerk. Niemand zal echter de visie delen dat die oorlogen verklaard kunnen worden vanuit het Christendom. Om geweld of een oorlog te verklaren vanuit een religie dient er een rechtstreeks verband te bestaan tussen de heilige teksten, de rechtvaardigingen en motieven die de aanhangers van de betreffende religie voor hun geweld hanteren, en het gedrag van die aanhangers. Bovendien dient er geen betere verklaring voor het geweld beschikbaar te zijn.

De moord op Theo van Gogh is in deze optiek het meest duidelijke voorbeeld van moslimgeweld, en er zijn ongetwijfeld meer van zulke voorbeelden te vinden. Maar veel van de ergernissen van Nederlanders gaan over minder ingrijpende vormen van  geweld, zoals intimidatie, bedreigingen, of gewelddadige berovingen,  gepleegd door jongeren met een moslimachtergrond. Vooral de ‘benoemers’ scharen dit allemaal onder moslimgeweld.

Dat dit complete onzin is, heeft Jan Dirk de Jong al vele malen overtuigend aangetoond, bijvoorbeeld in zijn proefschrift ‘Kapot moeilijk’, uit 2007. Daarin laat hij zien dat het gedrag van Marokkaanse jongeren eerder te verklaren is uit een straatcultuur, dan uit hun herkomst of religie. Je berooft een oud vrouwtje  niet met een beroep op de Koran, maar om het geld, en zulk crimineel gedrag speelt zich af in veel wereldsteden, zoals Rio de Janeiro, Detroit of Kaapstad, steden waarin Moslims een marginale rol spelen.

Noord-Zuid
De religieverklaring is op een enkele uitzondering na moeilijk of niet hard te maken, en er zijn vrijwel altijd betere verklaringen. Dat geldt vooral voor grootschaliger geweld, zoals oorlogen en binnenlandse conflicten. Dit wordt duidelijk als je de conflicten van de afgelopen 2 eeuwen indeelt naar regio en naar tijdsperiode.

In de periode van ongeveer halverwege de 19e eeuw tot het einde van de 2e wereldoorlog speelden oorlogen zich hoofdzakelijk af op het Noordelijk halfrond. Het ging meestal om een rivaliteit tussen staten, met als inzet een machts- invloeds- of gebiedsverdeling. Dit laatste betrof bijvoorbeeld de verdeling van andere continenten door koloniale machten in Europa.

Na 1945 verplaatste het geweld zich van het Noorden naar het Zuiden. Het ging  in meerderheid niet meer om conflicten tussen staten, maar om conflicten binnen staten. In 1945 was de wereld verdeeld,  de grote mogendheden hadden vrede met deze verdeling, en concentreerden zich daarom op het handhaven van hun respectievelijke invloedssferen.

Dat bleek tegen te vallen: eerst werden ze geconfronteerd met antikoloniale bewegingen, en vervolgens met nationalistische of socialistische bewegingen die door het Westen gesteunde regimes bestreden. Deze bewegingen streden tegen wat zij zien als een combinatie van onrechtvaardige binnenlandse verhoudingen en buitenlandse overheersing. Zulke ‘anti-regime’-oorlogen in het Zuiden vormden de meerderheid van de oorlogen in de 2e helft van de vorige eeuw. Oorlogen tussen staten waren uitzonderingen.

Vietnam
De perceptie van buitenlandse (Westerse) overheersing wordt niet alleen gevoed door de economische dominantie van de Verenigde Staten, Europa en Japan, maar ook door de directe of indirecte Westerse interventies in de arme landen. Deze lopen uiteen van economische steun via training voor politie en leger, het zenden van grote aantallen militaire adviseurs, tot openlijke interventies.

Het aantal slachtoffers van de indirecte interventies is moeilijk meetbaar, maar dat van de directe interventies is enorm. De Vietnamoorlog kostte volgens verschillende schattingen 1,4 tot 2 miljoen mensenlevens, en de recente Westerse interventies in Irak en Afghanistan 190.000 tot 220.000 doden. Veel van deze doden vielen door het geweld van de gewapende oppositie in die landen, maar zonder die Westerse interventies zouden er aanzienlijk minder slachtoffers gevallen zijn .

De perceptie van Westerse overheersing wordt verder gevoed door de toenemende inzet van drones, de onbemande vliegtuigen die de Verenigde Staten inzet in onder andere Afghanistan, Pakistan, Jemen en Somalië, waarbij duizenden mensen worden gedood, onder wie veel burgerslachtoffers.

Het moslimgeweld in het Midden Oosten en Noord Afrika is slechts een voortzetting van het antiwesterse geweld uit de tweede helft van de vorige eeuw, maar nu onder een andere vlag. Het gaat nog steeds om de perceptie van onrechtvaardige binnenlandse verhoudingen in combinatie met buitenlandse overheersing, maar nu verwoord in religieuze termen. De Islam heeft Marx en het nationalisme vervangen, en is daar als mobiliserende ideologie kennelijk meer succesvol in. Illustratief is de opkomst van Hamas en de verminderde populariteit van El Fatah.

Het Westen is nog steeds de grote boosdoener, maar het voornaamste doel is de als corrupt of autoritair beschouwde lokale regeringen, het middel is mobilisatie van de bevolking, vaak met sociale programma’s, maar helaas ook vaak met terreur.

Moslimgeweld
De toename van terroristische incidenten had vooral plaats na de invasies in Irak en Afghanistan: binnen 7 jaar verdrievoudigde het aantal incidenten in die regio. 

Het terroristisch geweld in het Midden Oosten, Noord Afrika en Zuid Azië eist ruim10.000 mensenlevens per jaar, ongeveer evenveel als het aantal Amerikanen dat jaarlijks door hun medeburgers wordt neergeknald. Opvallend is wel dat het aantal terroristische incidenten daalt na de terugtrekking van de Verenigde Staten uit Irak.

Moslimgeweld, opgevat als geweld gepleegd door moslims, bestaat, maar is alleen bij hoge uitzondering verklaarbaar vanuit de Islam. Er zijn immers zowel op individueel – als op macroniveau betere verklaringen beschikbaar. De discussie over moslimgeweld op macroniveau is bovendien eenzijdig: het geweld wordt niet in samenhang met het Westerse optreden besproken. En dat is juist essentieel: het Westen intervenieert omdat er sprake is van terrorisme, en de terroristen gebruiken terreur omdat het Westen intervenieert. De cijfers over de toe- en afname van het aantal terroristische incidenten laten dit duidelijk zien.

De oplossing ligt voor de hand, en Obama heeft dat begrepen: het Westen dient zich terug te trekken uit de gebieden waar het terroristisch geweld momenteel het hevigst is.

Geef een reactie

Laatste reacties (103)