923
36

publicist

Auteur van 'Het onbehagen van de man', eind 2009 verschenen bij uitgeverij Augustus. Dylan van Rijsbergen (1975) groeide op in Roden en Groningen. Vervolgens studeerde hij Alfa-informatica met Geschiedenis als thuisvak aan de Rijksuniversiteit Groningen. Dylan raakte verdwaald in het bedrijfsleven tijdens de internetzeepbel en werkte op een blauwe maandag zelfs bij WorldOnline. Daarna kwam hij weer bij zijn positieven en besloot bij het bestuursorgaan van de NOS te gaan werken. Daar werkt hij nog steeds (al heet het daar nu NPO), als manager productontwikkeling bij de internetafdeling. Omdat het werk bij een internetafdeling voor Dylan op zichzelf niet vervullend genoeg was, raakte hij in 2004 naast zijn werk betrokken bij de oprichting van de linkse denktank Waterland, waarvan hij in het bestuur zit en redacteur is van de e-krant Waterstof. In 2006 maakte Dylan toch maar zijn opleiding Geschiedenis af aan de Universiteit van Amsterdam, de stad waar hij inmiddels naartoe is verhuisd. Vlak voordat hij zijn bul ophaalt, begint hij met een eigen weblog als alternatieve uitlaatklep voor zijn ideeën en schrijfsels naast Waterstof. Dylan schrijft de laatste tijd vooral over onderwerpen op het snijvlak van politiek en levensstijl. Zo publiceerde hij veel over seksualiteit (hij was onder meer een van de auteurs van het Slow Sex-manifest), over drugs en drugsbeleid en over groen voedsel (slow food). Zie ook: www.dylanvanrijsbergen.nl

Is het terecht dat wetsovertredende parlementariers snoeihard worden neergesabeld?

Mogen progressieve mensen harde woorden gebruiken tegenover rechts?

Mogen ze een rechtse parlementarier die zijn buren het leven diverse keren heel moeilijk maakt, een ‘buurtterrorist’ noemen? Mogen ze diezelfde PVV’er, die veroordeeld is omdat hij als sergeant in het leger met twee vrouwen ontucht heeft gepleegd, bestempelen als ‘viezerik’? Volgens Volkskrant-columniste Malou van Hintum mag dat niet. Sterker nog, die arme PVV’ers zijn volgens haar slechts een product van hun volkse milieu.

De PVV-parlementariërs komen volgens haar uit een andere omgeving dan parlementariërs van andere partijen. Deze mensen zouden niet gewend zijn om hun problemen met een goed gesprek op te lossen, ze zijn directer en vertonen daardoor af en toe ‘normoverschrijdend’ gedrag. Van Hintum zegt dat ze het gedrag van de parlementariër niet wil goedpraten, maar voert wel degelijk verzachtende omstandigheden aan. Omstandigheden die ze baseert op iemands veronderstelde sociale achtergrond.

Het is een vreemd mengsel van geveinsde empathie en werkelijk superioriteitsgevoel dat Malou van Hintum tentoonspreidt. Het is ontzettend vernederend om iemands gedrag te vergoelijken omdat die uit een bepaald milieu afkomstig zou zijn. Je ontneemt iemand zijn autonomie, maakt hem tot niet meer dan een product van een hoeveelheid sociologische factoren. Het is mijns inziens veel erger om iemand te reduceren tot een typisch exemplaar van een groep, zoals Van Hintum doet, dan iemand rechtstreeks – en met gegronde redenen – uit te maken voor een buurtterrorist. Dat laatste is echter wel datgene dat Van Hintum het meeste stoort. Als je scheldt, dan legitimeer je het schelden, volgens Van Hintum. En dat moeten we niet hebben. Waarom eigenlijk niet? Waarom is dat harde taalgebruik eigenlijk zo erg?

Jarenlang hebben hoogopgeleiden zich onderscheiden van lager opgeleiden door een ‘beschaafde’ toon, voorzichtige algemene formuleringen en het onderdrukken van de eigen emoties. Het is de wat verstandelijke en afstandelijke cultuur die je leert op het gymnasium, op de universiteit en op kantoor. Het is de cultuur van de politiek, de macht, de bestuurselite. Diezelfde cultuur met bijbehorend jargon maakt echter dat veel mensen geen verbinding meer voelen met de politiek. Ze vinden dat politici praten met ‘meel in de mond’ en onduidelijk zijn. Dit in tegenstelling tot de PVV of de SP, partijen waar mensen de dingen helder, duidelijk en hard zeggen.

Dat is geen betoog om er maar op los te schelden. Maar dat in het politieke debat wetsovertredende parlementariers snoeihard neergesabeld worden is terecht. Dat gebeurde bij Wijnand Duyvendak, die door rechts neer werd gezet als een ‘inbreker’ en dat gebeurt nu ook bij de boeven van de PVV.

Oog om oog, tand om tand? Misschien, maar politiek is al lang niet meer het exclusieve terrein van beschaafde heren en dames. De wederzijdse harde woorden maken deel uit van het zelfreinigende vermogen van de democratie. Het zou veel erger zijn als niemand over dit soort dingen zou spreken of dergelijk gedrag zou vergoelijken.

Er is een verband tussen de wijze waarop Van Hintum het criminele gedrag van PVV’ers vergoelijkt met een beroep op hun milieu en haar pietluttige gehamer op het gebruik van woorden als ‘viezerik’ en ‘brievenbuspisser’. In beide gevallen weigert ze het gesprek aan te gaan met de anderen, in de taal van de anderen. In plaats daarvan maakt ze de taal van de straat (in haar visie niet meer dan schelden) tot een taboe. Van Hintum creëert afstand tussen ‘beschaafd’ en ‘onbeschaafd’ en trekt zich vervolgens verbeten terug op de zoutpilaar van haar morele gelijk.

Lees hier de column van Malou van Hintum

Geef een reactie

Laatste reacties (36)