5.175
16

Hoogleraar neurobiologie

Dick Swaab is een arts en neurobioloog die bekendheid geniet als hersenonderzoeker. In 1978 werd hij directeur van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Die functie bekleedde hij tot 2006. In 1979 werd hij benoemd tot hoogleraar neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werkt mee aan vele televisieprogramma's, waaronder de in november 2009 uit te zenden VARA-programma's De Onrendabelen en Eigen schuld, dikke bult.

Kinderen met achterstand moet je helpen

Een goede omgeving is geen luxe, het is een noodzaak, zei R. Wollheim. Je komt ter wereld met hersenen die door je genetische achtergrond en de ontwikkeling in de baarmoeder uniek zijn geworden, en waar je karakter, talenten en beperkingen al voor een groot deel in zijn vastgelegd.

Een veilige, stimulerende omgeving na de geboorte, die haalbare eisen aan het zich ontwikkelende kind stelt, stimuleert vervolgens de groei van de hersenen. Darwin beschreef al in 1871 dat hazen en konijnen die opgroeien in een saaie kooi in gevangenschap, 15-30% kleinere hersenen hebben dan hun soortgenoten in de natuur. Omgekeerd, als dieren kunnen leven in een “verrijkte omgeving”, een grote kooi vol met spullen die iedere dag vernieuwd worden en waarin ze met elkaar kunnen spelen, dan worden de hersenen groter en ontstaan er meer contacten tussen hersencellen.

Kinderen die sterk verwaarloosd zijn tijdens de vroege ontwikkeling hebben ook kleinere hersenen en hebben voor de rest van hun leven beperkingen, o.a. in intelligentie, taal en fijne motoriek, en ze zijn impulsief en hyperactief. Vooral de prefrontale cortex kan veel te klein zijn. Omgekeerd bleken weeskinderen die voor de leeftijd van 2 jaar geadopteerd werden, later een normaal IQ van 100 te kunnen halen, terwijl kinderen die pas tussen de 2 en 6 jaar werden geadopteerd bij een IQ van 80 bleven steken.

De Amerikaanse kinderpsychiater Bruce Perry beschreef het extreem verwaarloosde 6-jarige jongetje Justin, die als baby zijn moeder en grootmoeder verloor en bij een hondenfokker als huisdier opgroeide. Hij werd door de fokker in een hondenkooi gestopt, kreeg van hem te eten en een schone luier, maar er werd nauwelijks met hem gesproken, laat staan geknuffeld of gespeeld. Tijdens de ziekenhuisopname gooide Justin zijn ontlasting naar het personeel en bleek niet te kunnen spreken of lopen. Op de scan zagen zijn gekrompen hersenen eruit als die van een Alzheimer patiënt. In de stimulerende omgeving van een pleeggezin begon hij zich te ontwikkelen en kon op 8-jarige leeftijd naar de kleuterschool. Het is niet bekend wat de blijvende schade bij Justin is. Dat vraag ik me van Romulus en Remus trouwens ook af.

De ontwikkeling van onze moedertaal laat ook zien hoe de omgeving sommige  hersensystemen ook na de geboorte nog programmeert. De moedertaal is onafhankelijk van onze genetische achtergrond, en wordt slechts bepaald door de omgeving waarin het kind in die kritische periode voor de taalontwikkeling na de geboorte opgroeit. De ontwikkeling van een moedertaal drukt niet alleen een heel sterke stempel op de hersenontwikkeling, zij is cruciaal voor vele aspecten van de ontwikkeling van het kind. Keizer Frederick II van Duitsland wilde in het jaar 1211 de “Taal van God” ontdekken, en dacht dat deze zich wel spontaan zou openbaren als kinderen de taal van de moeder niet te horen kregen. Hij verordonneerde dus, gründlich, dozijnen kinderen in volledige stilte op te laten groeien. De “Taal van God” openbaarde zich echter niet. De kinderen konden helemaal niet spreken en stierven allen op jonge leeftijd.

Weeskinderen die tijdens de tweede wereld oorlog met veel te weinig personeel in instituten verbleven waar geen tijd voor lichamelijk of geestelijk contact was, hadden 30% kans om te overlijden. En als ze het overleefden hadden ze psychologische stoornissen. Een goede interactie met de omgeving is niet alleen een absolute voorwaarde voor een normale hersenontwikkeling, het bleek dus van levensbelang te zijn.

Onze omgeving bepaalt gedurende onze eerste jaren na de geboorte de bouw van de hersensystemen die met taal te maken hebben. Later, na de kritische periode van de ontwikkeling van onze taalsystemen, als we een andere taal proberen te spreken, moeten we dit met een Nederlands brein doen en hebben we daardoor een accent. Bij kinderen van 9-11 jaar overlappen de hersengebieden nog die woorden en visuele informatie verwerken. Bij volwassenen is er een specialisatie opgetreden en verwerken aparte hersengebieden die twee soorten informatie. De taalomgeving induceert permanente verschillen in hersenstructuren en functies. Afhankelijk of je moedertaal Japans of Westers is worden klinkers en geluiden van dieren in de linker of rechter cortex verwerkt, onafhankelijk van je genetische afkomst. In de prefrontale cortex ligt het voor taal cruciale gebied van Broca. Wanneer men in volwassenheid een tweede taal leert wordt er hierbinnen een ander subgebied gebruikt. Maar wanneer men al jong tweetalig is opgevoed maken beide talen gebruik van dezelfde frontale gebieden. De linker nucleus caudatus controleert dan welk taalsysteem er gebruikt wordt. De taal en culturele omgeving bepalen niet alleen welke hersensystemen zich met taalverwerking bezighouden, maar ook hoe gezichtsexpressies geïnterpreteerd worden en hoe men een beeld en zijn omgeving afscant. Zo kunnen Japanners en mensen uit Nieuw Guinea geen goed onderscheid maken tussen een gezicht dat angst of verrassing uitdrukt, en focussen Chinezen in tegenstelling tot Amerikanen niet alleen op het belangrijkste voorwerp, maar bekijken zij het voorwerp in relatie met zijn omgeving. Chinezen rekenen ook met een ander deel van hun hersenen dan Westerlingen. Terwijl allen gebruik maken van dezelfde Arabische getallen, maken Engelstaligen meer gebruik van taalcentra voor het verwerken van getallen, terwijl Chinezen meer gebruik maken van visueel-motorische systemen. Je kunt er over speculeren of dit zou kunnen komen doordat ze opgroeien met het leren van Chinese karakters en met het Chinese telraam.

Dat de omgeving een stimulerende werking op de hersenontwikkeling heeft werd al gesuggereerd door het verband dat Maria Montessori (1913) vond tussen het sociaal-economische milieu en de hersenontwikkeling. De sociaal-economische status is bovendien een belangrijke factor bij stimulatie van de intellectuele ontwikkeling van kinderen met een achterstand, zoals te licht geboren kinderen. Een sterk stimulerende, “verrijkte” omgeving  bevordert het herstel na een hersenontwikkelingsstoornis. Kinderen die vroeg in de ontwikkeling een achterstand hadden opgelopen door ondervoeding of affectieve verwaarlozing, bleken een sterke verbetering kunnen doormaken bij een vroege plaatsing in een meer stimulerende omgeving. Ook bij kinderen met het Down syndroom zijn goede resultaten bereikt met een intensieve stimulatie door de omgeving. Een geestelijke achterstand moet dus niet leiden tot het opbergen van kinderen in een tehuis of andere weinig stimulerende omgeving. In tegendeel, bij geestelijke achterstand moet er juist extra aandacht aan stimulatie van het kind gesteld worden. Dat maakt een verschil voor de rest van hun leven.

Dick Swaab is binnenkort over deze thema’s te zien in de film De Onrendabelen (vrijdag 20 november, 20.10 uur op Nederland 2) en in het door Paul Witteman gepresenteerde vervolg op de film: Eigen schuld, dikke bult (vrijdag 27 november, 20.50 uur op Nederland 2).

Geef een reactie

Laatste reacties (16)