3.428
0

Emeritus hoogleraar Gezondheidszorg

Ivan Wolffers (1948) studeerde af als arts. Sindsdien schrijft hij over medische onderwerpen, variërend van medicijnen tot zijn eigen prostaatkanker. Hij promoveerde in de medische antropologie en werd in 1989 benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam waar hij tot zijn emeritaat in 2014 Gezondheidszorg en Cultuur doceerde.

Kunnen we nog wel iets oplossen?

Over de dood, de angst en de vluchtelingen

Mijn moeder vraagt zich af wat ze in het verpleeghuis doet. “Ik ga hier zo weg hoor Ivan,” zegt ze als ik haar bezoek. “Ik ga met je mee. Ik wil weer naar huis.” “Dit is je huis mama,” zeg ik.

grandma's handsDe televisie staat zacht aan en Wim Sonneveld zingt over het huis van zijn vader. Mijn broer zegt dat mijn moeder dat leuk vindt en dat ze soms meezingt, maar aan mij vraagt ze “Wie is dat?” We zijn in de gemeenschappelijke ruimte. Er zitten ook andere bewoners, maar contact met elkaar hebben ze niet. Er komt wat leven in hun ogen als er familie op bezoek komt. Het lijkt of het de oudste banden met de wereld zijn die pas op het allerlaatst verbroken worden, zodat je uiteindelijk los staat van alles en heen kunt gaan.

Sommigen lopen zwijgend rond – wel of niet achter een rollator – als gekooide dieren, schijnbaar zonder doel keren ze bij de deur terug om nog een rondje te maken.

De grijze struise vrouw die me ooit, toen ik hand in hand met mijn moeder zat, vroeg “Zit ik wel eens zo met mijn familie?”, vraagt me deze keer “Komt er voor mij ook wel eens iemand op bezoek?” Ik weet het niet en zeg dat er volgens mij regelmatig kinderen bij haar komen. Ze noemt drie namen waarvan ik alleen de laatste, Jacqueline, onthoud en als ze het weer vraagt, want dat doen de mensen die niets meer onthouden, die vragen keer op keer op keer hetzelfde, zeg ik “Ja, pas zag ik u nog met Jacqueline zitten”.

“Maar wat doe ik hier dan?” vraagt ze en mijn moeder die steeds meeluistert begint een beetje te huilen en vraagt me “Ja, waarom ben ik hier?” Even maak ik me zorgen dat ik misschien een inwonersopstand heb helpen ontstaan, maar mocht de mogelijkheid bij hen zijn opgekomen dan zijn ze het al weer vergeten.

“Hoe oud ben ik eigenlijk?” vraagt de vrouw nadat het even stil is geweest. “Dat weet ik niet,” antwoord ik, deze keer geheel naar waarheid.

“Ik moet al wel tachtig zijn, want ik ben in 1926 geboren.”

“Dan bent u 89 jaar oud,” vertel ik haar, in de veronderstelling haar daarmee te helpen.

Ze kijkt me met wijde enigszins angstige ogen aan en zegt iets dat sindsdien door mijn hoofd spookt. “Waarom ben ik dan nog niet dood?” Ik weet er niets op te zeggen, omdat het eigenlijk een vraag aan onze samenleving is.

Zeker een uur heb ik vanmorgen gekeken naar foto’s die gemaakt zijn in het welvarende Noordwest-Europa in een kleine Nederlandse stad, waar de burgemeester bedacht had dat hij moest vragen aan de burgers, aan de bakker, de kruidenier, de man van de ijzerhandel, de bewoners van de Kaasstraat, de Panneman of de Zuidwal en weet ik allemaal aan wie nog meer, wat ze ervan zouden vinden als er in hun stad vreemdelingen zouden worden opgevangen die gevlucht zijn uit een land waar een vreselijke oorlog woedt. Op die foto zie ik mannenogen waarin zoveel haat te lezen is, dat ik me afvraag wat er met hen gebeurd moet zijn dat daar een verklaring voor kan bieden. Hebben ze een burgeroorlog meegemaakt? Zijn ze als kind misbruikt? Of zijn ze verwend en gewend om altijd hun zin te krijgen als ze maar hard genoeg huilen?

Ik ben voor mijn werk op veel plaatsen geweest en was nooit echt bang voor de mensen die op mijn pad kwamen, of we nu door het gebied van de Rode Khmer moesten trekken of dat we door de achterbuurten van Johannesburg liepen voor ons aids-project. Toen ik hoorde dat ik kanker had was ik wel vreselijk verdrietig maar nooit bang voor wat moet komen. Als ik naar die foto kijk voel ik echter wel een onbestemde angst omdat het uitgangspunt waar ik altijd op vertrouwde – dat je alles op kunt lossen als je serieus en van goede wil bijeenzit en praat – in Nederland niet langer meer lijkt op te gaan.

Ik sta net zo ver van die mannen op de foto af als van de mensen die in het verpleeghuis eenzaam rondlopen. Het is een zelfde verbazing als die ik in de ogen van de grijze vrouw las. Waar is de wereld waarmee ik vertrouwd ben en waar ik zo van houd dat ik elke dag vlug opsta om gretig verder te gaan met mijn leven gebleven? Wat doen we hier nog?


Het laatste boek van Ivan Wolffers is ‘Als de tijd voor altijd stil zou staan

Volg Ivan Wolffers ook op Twitter
Ivan schrijft regelematig voor Joop: 
klik hier voor een overzicht

cc-foto: Jessie Jacobson


Laatste publicatie van IvanWolffers

  • Broer van God

    Oktober 2017


Geef een reactie

Laatste reacties (0)