1.388
82

Historicus

Han van der Horst (1949) is historicus. Hij schreef onder meer The Low Sky: understanding the Dutch', Nederland: de vaderlandse geschiedenis van de prehistorie tot nu, Een bijzonder land, het grote verhaal van de Vaderlandse geschiedenis, Onze Premiers en Schep Vreugde in het Leven, Levenslessen uit de grote depressie. Op elke laatste zondag van de maand is hij om elf uur in de ochtend te horen als boekbespreker in het VPRO-radioprogramma over geschiedenis OVT.

Laicité, een goed idee?

Zowel Nederland als Frankrijk kennen een scheiding van kerk en staat, maar er bestaat een groot verschil in de manier waarop die is vorm gegeven.

Artikel 1 van de Nederlandse grondwet onderstreept de gelijkheid en is tegen discriminatie gericht. Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan”. Er worden normen gesteld. De aard van de Nederlandse staat blijft in het midden.

In arikel 1 van de Franse constitutie wordt meteen het karakter van de Franse republiek gedefinieerd. Onderdeel daarvan is een principiële ongodsdienstigheid: laique. : “La France est une République indivisible, laïque, démocratique et sociale. Elle assure l’égalité devant la loi de tous les citoyens sans distinction d’origine, de race ou de religion. Elle respecte toutes les croyances. Son organisation est décentralisée.La loi favorise l’égal accès des femmes et des hommes aux mandats électoraux et fonctions électives, ainsi qu’aux responsabilités professionnelles et sociales”. Dit betekent: “Frankrijk is een ondeelbare, seculiere, democratiche en sociale republiek. Zij stelt de gelijkheid voor de wet van alle burgers zeker zonder onderscheid naar afkomst, ras of godsdienst. Zij respecteert alle godisdiensten. Haar organisatie is decentraal. De wet bevordert de gelijke toegang van mannen en vrouwen tot het lidmaatschap van volksvertegenwoordigingen of gekozen functies evenals tot professionele en maatschappelijke posities”.

Dat is wel eens anders geweest. Traditioneel waren de Franse koningen innig met de katholieke kerk verbonden. Zij eisten zelfs een bijzondere positie voor het Franse katholicisme op binnen de wereldkerk. Toen de Franse Revoluti van 1789 een einde maakte aan alle bijzondere voorrechten, werd ook deze bevoorrechte positie ter discussie gesteld. De kerk en de revolutie zijn vervolgens in een zwaar conflict geraakt, waarbij priesters en bisschoppen keihard in verzet kwamen tegen de revolutionaire waarden van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Dat conflict is na vele verwikkelingen geëindigd met een volstrekte scheiding tussen kerk en staat, die in 1905 na harde, politieke strijd werd doorgezet door een liberale en democratische meerderheid in de Franse volksvertegenwoordiging. Sindsdien wordt  de verhouding tussen kerk en staat gekarakteriseerd door de laicité, het seculiere, karakter van de overheid. Deze garandeert de godsdienstvrijheid, maar hij is zelf principieel ongodsdienstig. Hij is dus niet neutraal en hij is evenmin anti-godsdienstig. Hij heeft met religie niets te maken en in die context is het bijvoorbeeld onvoorstelbaaar dat de overheid godsdienstig onderwijs zou (mede)financieren. Het heeft heel lang geduurd voor de katholieke kerk de scheiding van 1905 accepteerde en paus Benedictus heeft nog in gesprekken met president Sarkozy geprobeerd aan dit beginsel te wrikken.

Bij ons in Nederland is de scheiding tussen kerk en staat op een heel andere manier tot stand gekomen. In de oude Republiek der Zeven Verenigde Provinciën. heerste tolerantie. Dat moet je heel letterlijk opvatten. De overheid erkende uitsluitend de gereformeerde kerk en tolereerde alle anderenin meerdere of mindere mate. Katholieken kregen minder kans om zich in het openbaar te manifesteren dan bijvoorbeeld doopsgezinden of Lutheranen. In de eerste grondwet van het koninkrijk ging men een stevige stap verder. Daarin werd de vrijheid van godsdienst wel opgenomen, gegarandeerd. Toch bemoeide de overheid zicjh nadrukkelijk met de godsdienst. De oude kerk, nu Nederlands Hervormd geheten, behield haar officiële positie en koning Willem I maakte het lastpakken, zoals de streng calvinistische afgescheidenen van 1834 moeilijk met processen en inkwartiering van soldaten, zodat de beginnende liberale beweging het voor deze fundamentalisten moest opnemen. Ook met de katholieke kerk bemoeide de koning zich. Hij voerde verbeteringen door in de priesteropleiding, wat uiteraard tot heftige conflicten aanleiding gaf. Tenslotte ging het Ministerie van Waterstaat over de kerkenbouw. In vele dorpen en steden staan nog qua stijl en vormgeving zeer herkenbare “waterstaatskerken” die allemaal dateren uit de eerste helft van de negentiende eeuw.

De liberale oppositie tegen het autoritaire bewind van de oranje-koningen Willem I en Willem II vond deze gang van zaken om het in modern politiek jargon te zeggen “niet meer van deze tijd”. De bemoeienis van de staat met godsdienstzaken leidde alleen maar tot problemen zeker in een religieus zo verdeeld volk als het Nederlanfdse. Ook vormde de staatsbemoeienis een aantasting van de vrijheid van godsdienst. Toen de liberale voorman Thorbecke in 1848 de kans kreeg een liberale grondwet te schrijven, schiep hij dan ook een grote afstand tussen de staat en de uiteenlopende kerkgenootschappen, zodat deze gevrijwaard bleven van overheidsbemoeienis met hun interne zaken. Ook verdween de bevoorrechting van de Nederlands Hervormde Kerk. Dat was alles.

Bedienaren van het goddelijk woord kregen een overheidstoelage en die is getrouw uitbetaald tot de regering in 1984 deze en andere rechten afkocht om in het kader van een herziening van de grondwet de scheiding tussen kerk en staat noch te benadrukken. Er waren zelfs ministeries van Rooms Catholieke en van Hervormde Eredienst, waarvan de laatste rest in 1871 verdween.

In die visie van Thorbecke was de staat niet ongodsdienstig maar neutraal. Kerken bleven in het burgerlijk recht een bijzondere positie behouden. Ze hoefden zich niet om te zetten in een stichting of een vereniging. Het randschrift van de guldens bleef luiden: “God zij met ons”. Het staatshoofd hield er als vanouds twee hofpredikanten op na en de inhuldiging van de koning vond gewoon plaats in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Het lager onderwijs leidde de leerlingen op tot algemeen maatschappelijke en christelijke deugden”.
In Frankrijk kregen na lange strijd liberalen, democraten en socialisten de overhand, in Nederland was de overwinning aan de confessionele partijen die met elkaar na de invoering van het algemeen kiesrecht meer dan een halve eeuw het parlement beheersten,  Omdat in Nederland geen meerderheidsgodsdienst bestaat, hechtten deze partijen – katholiek en protestants van karakter – aan het neutrale karakter van de staat op godsdienstig terrein én aan de scheiding tussen kerkgenootschappen en staat. Alleen zo, leerde de antirevolutionaire leider Abraham Kuyper, kon de gewetensvrijheid behouden blijven. Om deze gewetensvrijheid was – predikte hij – destijds Willem van Oranje met zijn geuzen tegen de Spanjaarden in opstand gekomen: niets of niemand – en zeker de staat niet – mocht treden in de relaties tussen de afzonderlijke mensen en hun Schepper. Kuyper achtte deze gewetensvrijheid van een hoger niveau dan de vrijheid die de liberalen boden: dat was in zijn visie een soort mal waarin gelijksoortige burgers werden gevormd naar hetzelfde ontwerp, waar de overheid een reeks normen en waarden dwingend oplegde. Daardoor kwam de gewetensvrijheid in het gedrang. Hij plaatste daar zijn beroemde leer van de “souvereiniteit in eigen kring”  tegenover, waaruit de verzuiling is voortgekomen. Hoe werkt die leer? Heel in het kort: ieder mens verkeert in verschillende levenskringen, die van de overheid, die van zijn eigen gemeenschap, die van zijn kerk, die van zijn gezin. De staat heeft alleen in de buitenste kringen iets te zoeken, en zeker nietein die van kerk of gezin. Daar is niet de staat souverein, maar de kerkelijke gemeenschap of de huisvader (in gezamenlijkheid optredende door Kuyper toegesproken als “mannenbroeders”). Binnen deze redenering wordt het heel voorstelbaar dat de overheid relijgieus geïnspireerde scholen subsidieert of andere instanties met een religieuze achtergrond zoals hospitalen en weeshuizen. Als het maar niet om de kerkgenootschappen en de godsdienstige activiteiten zelf gaat. De staat is immers neutraal en het maakt haar niet uit of wezen katholiek dan wel protestant opgevoed worden, als die opvoeding maar succesvol is en de arme kinderen zich ontwikkelen tot nuttige leden van de maatschappij.

In Nederland konden de socialisten en de vrijzinnige democraten al vroeg begrip opbrengen voor gesubsidieerd levensbeschouwelijk onderwijs en vervolgens voor staatssteun aan wat we tegenwoordig verzuilde instellingen noemen, want je kunt aan die veelzijdigheid van het onderwijsaanbod ook een linkse, progressieve draai geven. Alleen de liberalen hebben zich decennia lang tegen deze visie verzet, tot zij tenslotte in 1917 de strijd opgaven. Daarmee was het laatste kansje op een toegroeien naar een Franse vorm van laicité voorgoed verkeken. De Nederlandse staat zou nooit ongodsdienstig worden. Uiteindelijk komt dat, omdat er in ons land nooit een echt scherp conflict tussen kerk en staat heeft bestaan en in Frankrijk wel. Wij zijn hier traditioneel niet zo van de scherp getrokken scheidslijnen. Daarom kon er een scheiding van kerk en staat bestaan, terwijl op het geld toch stond “God zij met ons”? Wat zegt dat trouwens over onze normen en waarden: dat we juist op ons geld over God beginnen?

De vraag is nu: moeten wij onze zegeningen tellen of kunnen wij beter kiezen voor het Franse model?

Laat ik het antwoord op deze vraag maar eens in het midden laten.


Laatste publicatie van Han van der Horst

  • Nepnieuws

    Een wereld van desinformatie

    Februari 2018


Geef een reactie

Laatste reacties (82)