1.328
101

Oud-PvdA-leider

Job Cohen (Haarlem 1947) heeft in Groningen rechten gestudeerd. Na zijn studie heeft hij eerst tien jaar in Leiden gewerkt, waarna hij in 1981 vertrok naar de Universiteit Maastricht. Daar werd hij eerst hoogleraar en later Rector Magnificus. In 1993 werd hij staatssecretaris van Onderwijs in het kabinet Lubbers II. Hij keerde vervolgens weer terug naar Maastricht om in 1998 opnieuw staatssecretaris te worden, nu van Justitie. In 2001 werd hij burgemeester van Amsterdam, in 2010 werd partijleider en fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer. Op 20 februari 2012 legde hij zijn functie neer.

Lezing bij presentatie Rode Canon

Aan de zoete verleiding van de nostalgie heb ik niet willen toegeven, vooral omdat dit in mijn huidige positie tekort zou doen aan de opgaven waar we nu voor staan.

Na de presentatie van de Rode Canon door de Wiardi Beckman Stichting vanmiddag heb ik een lezing gehouden over de rijke historie van de sociaaldemocratie. Wat is de rode geschiedenis waard in de actuele politiek? Spreekt dit de huidige generaties nog aan? En welke betekenis heeft de geschiedenis voor de partij?


Het is een mooi moment dat ons vandaag bijeen heeft gebracht – de presentatie van een rode canon.

En de opkomst laat zien dat het verleden van onze beweging op een grote belangstelling kan rekenen. Nu de toekomst nog. En over beide punten wil ik vanmiddag iets zeggen, over een paar kenmerken van het sociaal-democratische verleden en de inspiratie die aan deze rijke geschiedenis ontleend kan worden om verder te gaan.

Laat ik beginnen met te zeggen wat me bij het doornemen van de canon opviel. Dat was vooral dat de sociaal-democratie zich keer op keer krachtig heeft weten aan te passen aan de veranderende samenleving. Dat ging  – en gaat –  niet gemakkelijk. Natuurlijk zijn we gehecht aan soms moeizaam verworven inzichten, natuurlijk zijn we trots op de imponerende resultaten die behaald zijn. Denk aan de slagzin: ‘Wie bouwt – Wibaut!’ waarbij we ons mogen realiseren dat de volkswoningbouw zonder de sociaaldemocraten nooit die internationaal vermaarde kwaliteit zou hebben gehaald. Zo zijn er meer voorbeelden te geven. En daarbij is het dus goed te bedenken dat niet alleen wij veranderen, maar dat wij ook de samenleving hebben veranderd.

Dat karakter van onze ideologische en programmatische verandering is onlosmakelijk verbonden met onze traditie. Vanaf de oorsprong van het socialisme hebben we ernaar gestreefd ons systematisch rekenschap te geven van de belangrijkste ontwikkelingen in de samenleving. Elke historische fase stelde nieuwe eisen. Vandaar dat de socioloog Jacques van Doorn het socialisme eens een kameleontisch karakter heeft toegedicht. Zeker, de sociaal-democratie moest telkens weer worden uitgevonden.

Zoals gezegd – dat is geen gemakkelijk proces. En dat is ook te merken aan de aard van onze omgang met het eigen verleden. Als geen enkele andere partij hielden en houden we ons intensief met dat verleden bezig: vanaf het monumentale werk van Willem Vliegen, De Dageraad der Volksbevrijding uit 1905, verspreid door de ‘brochurenhandel der S.D.A.P.’, tot nu toe, met de rode canon die op internet beschikbaar wordt.

De manier waarop we ons bezighouden met de geschiedenis van partij en beweging is overigens niet zelden kritisch van toon. Dat wijst er op dat die omgang met het verleden voor ons geen onverplichte onderdompeling in nostalgie is, hoe prettig dat bij vlagen ook is, maar een voortgezette oefening in verantwoording voor de gemaakte keuzen. En daarmee is het een onmisbaar element in de permanente ontwikkeling van de sociaal-democratie. We moeten voort, maar daarbij kunnen we niet zonder een blik op de afgelegde weg: wie vooruit wil kan niet zonder achteruitkijkspiegel.

Tot nu toe heb ik de nadruk gelegd op het onvermijdelijke en noodzakelijke karakter van de aanhoudende verandering van de sociaaldemocratische opvattingen, op de historische reflectie op die veranderingen als onmisbaar element daarbij. Maar daarmee kunnen we niet volstaan. “In het verleden behaalde resultaten geven geen garantie voor de toekomst.” Banken kunnen dat zeggen: wij niet. Want het is onze opdracht ook in de toekomst resultaten te behalen. En dan bedoel ik dat niet simpel in de zin van electorale successen, hoewel die welkom zijn, maar vooral dat we bij het terugzien op een aantal mijlpalen ons realiseren dat daar de opdracht aan is verbonden om ook zorg te dragen voor mijlpalen in de toekomst.

De vraag is dan hoe dat verleden ons kan inspireren, richting kan geven aan nieuwe ambities. Daarbij is het van essentieel belang dat we ons realiseren dat er, ondanks alle veranderingen, een harde kern zit in de sociaaldemocratie, die we dienen vast te houden. Dit is niet de plaats om daar al te uitvoerig over te zijn. Maar een enkel essentieel punt wil ik hier graag naar voren brengen.

Onze beweging is ooit, ruim anderhalve eeuw geleden, begonnen als een politiek antwoord op een economisch probleem, namelijk de maatschappelijke verstoring die door de opkomst van het industrieel kapitalisme werd veroorzaakt. Daarmee kwam immers een geweldige dynamiek op gang, die op de zeer lange termijn gezien een aantal grote verworvenheden heeft opgeleverd.

Maar die dynamiek bracht niet alleen veel moois, maar ook grote onzekerheden. Friedrich Engels heeft die in schrille kleuren geschilderd in zijn bekende boek over De toestand der arbeidersklasse in Engeland (1845). De kern van de ellende was niet zozeer de armoede, daar waren – om het cynisch te zeggen – de arbeiders wel aan gewend. Maar het ging hem om het nieuwe verschijnsel van de onzekerheid [‘die Unsicherheit des Lebensstellung’]. De willekeur van een werkgever, de introductie van een nieuwe machine, een verre oorlog: alles kon het bestaan plotseling overhoop gooien.

Dat verschijnsel was ook in Nederland op te merken. Het is vooral Thorbecke geweest die daar op heeft gewezen. In zijn rede Over het hedendaagsche Staatsburgerschap (1842) analyseerde Thorbecke twee, onderling tegenstrijdige, ontwikkelingen. Aan de ene kant was er een groei in politieke gelijkheid. Na de Franse Revolutie was er sprake van een onvermijdelijke toename van democratische verhoudingen. Maar tegelijkertijd zag hij op economisch terrein een ontwikkeling die daar tegenin ging. Het kapitalisme bracht immers juist een steeds groter ongelijkheid tot stand. En hij vatte dit samen: ‘Eene hand steeds bezig af te breken hetgeen de andere opricht.’ Maar een oplossing gaf hij niet; enigszins machteloos besloot hij zijn betoog met de verzuchting: ‘Wie vindt den toon, waarin deze dissonant zich oplost?’

Het is de historische verdienste van de sociaaldemocratie daarop een antwoord te hebben geformuleerd. En ik vat het simpel samen: dat antwoord lag vooral in de voortgezette poging voor het leeuwendeel van de bevolking meer bestaanszekerheid te organiseren. Vanaf het begin van zijn parlementaire arbeid wees Troelstra bijvoorbeeld op de ellende van de onzekerheid van het bestaan, door het voortdurend dreigende spook van de werkloosheid. Het was zijn interpellatie in 1907, die zou leiden tot het instellen van een staatscommissie die een begin van een werkloosheidsbeleid zou formuleren.
Maar de onmacht van het gevoerde werkloosheidsbeleid bleek wel bijzonder duidelijk toen het er op aankwam, in de crisisjaren. Pappen en nathouden, wachten op betere tijden – dat leek het onmachtige parool. Hier namen de SDAP en het NVV het bijzondere initiatief om een commissie van zwaargewichten in te stellen die in 1935 met Het Plan van de arbeid kwam. De opening van dit rapport was even simpel als direct:


’Het Plan van de Arbeid houdt in: een economisch diepgaande hervorming, met het doel om […]aan het Nederlandsche volk te verschaffen:Bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil.’

De wereldwijde crisis had duidelijk gemaakt dat een dergelijke bestaanszekerheid alleen dichterbij te brengen viel door een sterk en planmatig ingrijpen van de staat – de markt had de ellende niet alleen voortgebracht, maar vooral: bleek niet bij machte op eigen kracht een herstel tot stand te brengen. Laten we niet vergeten dat wij in onze gelederen onze eigen Keynes hadden, namelijk Jan Tinbergen, die in 1969 als eerste de Nobelprijs voor de economie kreeg toegekend.

En in het licht van onze huidige financiële en monetaire problemen is het interessant om te wijzen op één van de belangrijkste aanbevelingen in het Plan van de Arbeid, namelijk het beheersen van de kredietverlening. De ‘niet-verantwoorde credietverstrekking’ [Plan van de Arbeid, pagina 11] moest immers worden aangewezen als een bron van de ellende. Het geeft een schok van herkenning, als we ons daarbij even het begin van de kredietcrisis voor ogen halen.

Terug naar het Plan van de Arbeid. Natuurlijk, in die periode verwachtte de sociaal-democratie veel, teveel kunnen we achteraf vaststellen, van een ordening van het bedrijfsleven. Desondanks was dit Plan van de Arbeid van een bijzondere betekenis: voor het eerst werd nu geformuleerd dat het een essentiële taak van de overheid was om bestaanszekerheid te bieden aan de bevolking en dat te realiseren door de conjunctuur te beheersen en economische crises naar vermogen te voorkomen.

Dit Plan vond onmiddellijk na publicatie weinig gehoor. Maar we kunnen ook vaststellen dat de kern van het Plan na de oorlog een algemeen aanvaard uitgangspunt is geworden. Het is de basis geweest van een zeer succesvol herstel- en vernieuwingsbeleid en daarmee voor de wonderbaarlijk snelle groei van economie in de jaren vijftig en zestig, die wel bekend zijn geworden als ‘de gouden jaren’.

De Partij van de Arbeid zou de traditie voortzetten. In 1951 verscheen het rapport De weg naar de vrijheid, als een actualisering van het Plan van de Arbeid. Het was breder van opzet, gevarieerder in inhoud – maar in de kern was het de herbevestiging van de oude uitgangspunten. Het rapport houdt vast aan de gedachte dat ‘bestaanszekerheid’ op zichzelf van belang is, maar zelfs de voorwaarde is voor een behoud van de democratie. Een klein citaat om dat duidelijk te maken:

‘Een ernstige belemmering voor de ontplooiing van de mens is de onvoldoende bestaanszekerheid. Het optreden tegen oorzaken van crisis en massawerkloosheid verkeert nog in een eerste stadium. Het democratisch-socialisme moet het vooral als haar taak zien het conjunctuurprobleem tot een oplossing te brengen, daar de crisis de democratie zelve in levensgevaar brengt. Volledige werkgelegenheid moet worden nagestreefd.’ [De weg naar vrijheid, pagina 11]

Het geluk kon een politieke partij niet brengen, maar wél – en ik citeer opnieuw – ‘de voorwaarden en de mogelijkheden voor een rijker menselijke ontplooiing en een hechter gemeenschapsverband’.

En deze harde kern van de sociaaldemocratie werd vervolgens nog eens vastgelegd in het rapport Schuivende Panelen uit 1987. In het eerste hoofdstuk van dat rapport wordt met nadruk naar voren gebracht dat de missie van de partij nog steeds dezelfde is als in het Plan van de Arbeid, namelijk ‘bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil voor iedereen’. En natuurlijk, bestaanszekerheid betekende niet meer hetzelfde als in de crisisjaren:

Bestaanszekerheid” is niet langer meer een kwestie van sociale zekerheid alleen, maar ook van veiligheid en van zekerheid voor toekomstige generaties. Een “behoorlijk levenspeil” is niet slechts een kwestie meer van groeiende welvaart, maar ook van groter kwaliteit daarvan en van veel bredere spreiding dan tot de eigen landgenoten of zelfs die van West-Europa. “Iedereen” betekent niet langer meer alleen mannen maar ook vrouwen, in dezelfde mate.’ [Schuivende Panelen, pagina 16]

Op de basis van de oude formule werd hier gewezen op duurzaamheid, de kwaliteit van publieke voorzieningen, de ontwikkelingssamenwerking en de emancipatie van vrouwen, de versterking van de cultuur – kortom: op het belang van de beschaving.
En die harde kern houden we vast. Het is immers niet alleen economisch kortzichtig en politiek onverstandig, maar zelfs moreel onverdraaglijk om de bestaanszekerheid van mensen slechts te zien als afgeleide van economische processen. Tony Judt heeft daar in zijn even heldere als ontroerende testament onlangs nog eens indringend op gewezen. Als gevolg van het neoliberalisme is er een manier van denken dominant geworden waarin centraal stond dat de economie zo min mogelijk hindernissen mocht ondervinden. De samenleving bestond niet, volgens Thatcher; de overheid was, in de woorden van Reagan, geen oplossing maar een probleem; mensen waren daarmee in feite overgeleverd aan de markt.

De sociaal-democratie heeft aan dat neoliberalisme te weinig weerwerk geboden. Met name in de Derde Weg heeft een te groot vertrouwen geheerst over de mogelijkheid om de tegenstelling tussen markt en politiek op te heffen en is te veel meegegaan met de verkleining van het publieke domein. Juist gezien de enorme dynamiek van de economie is een sterke en zelfstandige positie van de politiek noodzakelijk.

Het zijn niet alleen de nieuwe tijden, die nieuwe vormen van bestaanszekerheid vergen, ook de oude vormen blijken nog steeds onmisbaar. We heten niet voor niets Partij van de Arbeid.

Arbeid, werk, is nog steeds een uiterst essentieel terrein, het structureert onze samenleving op tal van manieren, zowel ideëel als materieel, zowel sociaal-politiek als cultureel. Dat geldt zeker ook voor onze tijd, waarin toegenomen individualisering, secularisering en globalisering andere structurerende verbanden heeft verzwakt. Soms lijken we dat te vergeten, maar het zijn de moeilijke tijden waarin dat weer onverbiddelijk duidelijk wordt. Denk in dit verband aan de jaren tachtig van de vorige eeuw, waarin Wim Kok met een Akkoord van Wassenaar de basis legde voor een economische én maatschappelijke ontwikkeling die internationaal bekend kwam te staan als the Dutch Miracle. Na de millenniumwisseling zijn we dit weer even vergeten en dachten dat de bomen vanzelf bleven doorgroeien tot in de hemel en dat iedereen bijna vanzelf een gelukkige zzp’er zou worden – maar die illusie is, zo mag ik aannemen, nu toch wel verdampt.

Bismarck heeft de socialisten eens weggezet als Vaterlandslose Gesellen. Dat is op z’n minst interessant, wanneer je je realiseert dat we nu leven in tijden waarin dat een treffende benaming lijkt voor de beheerders van hedgefunds en zwerfkapitaal. De krachtlijnen in de wereld zijn verlegd en daar hebben we allemaal mee te maken. En zoals Kok met dat  Accoord over zijn eigen schaduw sprong, zo zullen we nu opnieuw wegen moeten vinden  om de bestaanszekerheid weer terug te brengen.

En dat niet alleen voor mensen die werkloos zijn of hun werk dreigen te verliezen. Grote groepen op de arbeidsmarkt zijn kwetsbaar, maar daarnaast is voor nog grotere groepen de kwaliteit van de arbeid ondermaats.

Een deel van deze problemen zijn in beeld gebracht door de publikatie Om de plaats van de arbeid van de WBS (2008). Daaruit blijkt dat er weliswaar een nieuwe flexibiliteit in de sociaal-economische structuur is gekomen die in het algemeen gunstig was, maar dat dit ook onzekerheid met zich heeft meegevoerd. En voor veel mensen is het ontbreken van een vertrouwenwekkend toekomstperspectief uiterst onaangenaam. Niet alleen zijn ze bezorgd over eigen baan en inkomen, maar ook over die van hun kinderen. Een dergelijk vrees speelt zeker ook een rol in het huidige politieke klimaat. Ik wijs hier kortheidshalve op de interessante studie van Benjamin Friedman, The Moral Consequences of Economic Growth (2005), waarin dit met tal van historische gegevens nader is uitgewerkt. Wij zullen moeten zoeken naar een nieuwe, collectieve zekerheid en dan bij voorkeur niet in de vorm van een nieuwe bureaucratische laag, een ingewikkelde subsidieregeling of een telefonisch moeilijk bereikbare helpdesk. Niet nog meer rugzakjes, maar het borgen van een grotere bestaanszekerheid door wat Ton Wilthagen genoemd heeft ‘een zichtbare hand’ [A.C.J.M. Wilthagen, Flexicurity Pathways: Turning Hurdles into Stepping-Stones. Expert Report for European Commission. Tilburg 2007]. Het is hier niet de plaats om dat hier verder uit te werken, maar dat staat op onze agenda.

Bij de presentatie van de ‘rode canon’ wil ik tot slot nog één observatie naar voren brengen. Bij het lezen ervan viel het me opnieuw de betekenis op van de sociaaldemocratie op lokaal niveau. Want juist de sociaaldemocratie kan niet uitsluitend worden afgemeten aan wat er op landelijk niveau gebeurt. De ruggengraat van de sociaal-democratie is lange tijd toch vooral het ‘wethouderssocialisme’ geweest. Dat is een traditie die niet verloren mag gaan, sterker nog, juist op de momenten dat we buiten het kabinet staan, moeten we op lokaal niveau laten zien waar we voor staan.

Zoals bekend heeft Wibaut, de grote wethouder van Amsterdam, in dat wethouderssocialisme een pioniersfunctie vervuld. Hij heeft maximaal gebruik gemaakt van de beleidsvrijheid die de gemeente had. Het is zinvol nog eens langs de lijnen van dat verleden na te gaan wat die traditie voor het heden kan betekenen.

En dan denk ik aan het volgende. Er wordt veel gesproken over globalisering – dat is overigens voor socialisten geen nieuw verschijnsel: Marx heeft daar in het Communistisch Manifest [1848] al op gewezen. De kracht van die globalisering mag niet onderschat worden. Maar we weten intussen ook dat we niet alles maar mooi moeten vinden en op voorhand mee moeten gaan in wat Paul van der Heijden eens ‘de westenwind’ heeft genoemd [P.F. van der Heijden: Westenwind: van werknemersinvloed naar aandeelhoudersmacht. 2004]. En in dat verband kunnen de gemeenten een rol van betekenis spelen. Saskia Sassen heeft laten zien dat het de steden zijn waarin het mondiale bedrijfskapitaal zich concentreert, terwijl in diezelfde steden armoede en verval zich manifesteren. [25ste Jaarboek Democratisch Socialisme, 2004]. Het tegengaan van die kloof is een enorme opgave voor de gemeenten. Dat zullen wij ook in de komende jaren gaan merken. Het kabinet-Rutte legt een zware druk op de gemeenten, en het is mede aan onze wethouders om in die omstandigheden te zoeken naar mogelijkheden om, en ik zeg het opnieuw, bestaanszekerheid voor een ieder op een behoorlijk niveau  te helpen realiseren. En dan bestaanszekerheid in brede betekenis: niet alleen op sociaal-economisch terrein, maar ook in cultureel en sociaal opzicht. Want de toegenomen vervreemding in onze maatschappij en de daarmee samenhangende gevoelens van onveiligheid  zijn in onze tijd eveneens aspecten die samenhangen met bestaanszekerheid. De kwaliteit van de gemeente, de publieke sector op het niveau van de gemeente zal daarbij een essentiële factor zijn; haar ambtenaren staan daarbij in de frontlinie.

En ja, personeelsbeleid was een tweede hoofdlijn in het beleid van Wibaut. Hij vond dat de overheid gehouden is op dit terrein een voorbeeldfunctie te vervullen. Het ziet er niet naar uit dat het huidige kabinet dit inzicht volgt. De omvang van het overheidspersoneel – ook al kan die in tijden van bezuiniging zeker niet buiten schot blijven – lijkt wel een sluitpost op de begroting: minder overheid en dus minder overheidspersoneel als doel op zichzelf. Dat is niet alleen kortzichtig, het is een actieve bijdrage aan de verdergaande corrosie van de publieke ruimte, het tast het gemeenschapsgevoel nog verder aan.

Het gaat hier over de mensen in het onderwijs, de jeugdzorg, het openbaar vervoer, de politie en in andere diensten van de verzorgingsstaat. We stellen hoge eisen aan hun inzet en motivatie – daar moet wat tegenover staan. Teveel staat daar echter tegenover dat hun motivatie, hun beroepstrots wordt ondergraven door juist niet een beroep te doen op het beoordelingsvermogen van de professional, maar door soms tot in het absurde verantwoordingseisen te formuleren – waardoor de frontlinie een groot deel van de dag een computerscherm blijkt te zijn – en een wildgroei aan managers. En niets ten nadele van goede managers, maar er zijn teveel verhalen over een wanverhouding tussen prestaties en honorering. [Johann Hari, ‘The Management consultancy scam’ in The Independent 20-8-2010 naar aanleiding van onderzoek van de Cranfield School of Management].

Een zorgvuldige omgang met dit personeel is niet alleen een teken van beschaving, het is ook een krachtige poging om langs die weg bij te dragen aan een versterkte gemeenschapsvorming. Juist als alles, naar een uitdrukking van Marx, ‘vloeibaar’ lijkt te zijn geworden, moet de overheid structuur en kracht bieden. Dan is meer waardering voor het personeel dat in dienst is van de gemeenschap, van ons allemaal dus, een onafwijsbare plicht.

Tot slot. Ik heb U deelgenoot proberen te maken van een aantal overwegingen die bij mij opkwamen bij het lezen van de rode canon. U zult gemerkt hebben dat ik trots was op dat verleden, met haar prestaties, met haar fouten. Aan de zoete verleiding van de nostalgie heb ik niet willen toegeven, vooral omdat dit in mijn huidige positie tekort zou doen aan de opgaven waar we nu voor staan. We beleven moeilijke tijden en we zullen, geïnspireerd door het verleden, nieuwe ankerpunten moeten vinden. Dat die geïnspireerd zullen zijn op een begrip als bestaanszekerheid  en op een krachtige publieke sector zal niet verbazen. Het zal niet eenvoudig zijn, ook wij hebben rekening te houden met omvangrijke bezuinigingen en voorlopig een schamele economische groei. Maar misschien is dat, tenslotte, wel de belangrijkste les die uit het sociaaldemocratische verleden is te putten: juist in moeilijke tijden hebben we laten zien dat er creatieve oplossingen te vinden zijn. Kortom: aan den arbeid!

Geef een reactie

Laatste reacties (101)