25.592
160

Redacteur Joop.nl

Hasna El Maroudi (Rotterdam, 1985) is redacteur bij Joop. Hasna schreef in het verleden columns voor o.a. e-zine Spunk, NRC.next en Trouw.

Mannen die vrouwen lastigvallen

Hij wil weten welke spieren ik aan het rekken ben. Of hij even mag voelen. Op z’n Rotterdams zeg ik dat hij moet optyfen en dat ik geen zin in toeschouwers heb.

cc-foto: Jason Patel

‘Ik wil niet in herhaling vallen’, zei ik tegen een vriend die tegenover me zat in het café. Ik had zojuist een hele tirade gehouden over mannen die vrouwen lastigvallen, waarna hij had geopperd dat ik er een artikel over moest schrijven. Voor mijn gevoel heb ik dat alleen al duizendmiljoen keer gedaan. Het resultaat van al die artikelen, waarin ik – dan eens direct, dan eens satirisch – de problematiek van straatintimidatie aankaart? Hooguit wat emotionele ontlading. Ik twijfel of mannen – ook onschuldige mannen – écht doordrongen kunnen raken van wat het betekent om een vrouw te zijn in de publieke ruimte.

Mijn tirade brandde spontaan los nadat ik vanuit het café had gezien hoe een vrouw die op haar fiets stapte, werd lastiggevallen door een passant. Zijn lichaam kwam net iets te dichtbij het hare, zijn blik was een mengelmoes van woede en ejaculatie. Zij deed wat iedere vrouw in een soortgelijke situatie doet: ze draaide haar hoofd weg, staarde strak de andere kant op, en fietste gauw weg. Alsof hij niet bestond. Alsof hij niet te dichtbij was gekomen. Alsof zijn aanwezigheid niets had betekend. Alleen de kleur van haar knokkels, die wit kleurden van het knijpen in haar stuur, verraadde anders.

‘Het is geen probleem dat na één artikel verdwijnt’, had mijn goede vriend (en tevens de grootste feminist die ik ken) me op het hart gedrukt om me zo aan te sporen het artikel toch te schrijven, maar de twijfel bleef bestaan. Ik kon de reacties al uittekenen: het is gezeur, slachtoffergedrag, het zijn immers allemaal ‘complimentjes’, waar doe ik moeilijk over?

In gedachten nam ik de afgelopen dagen door en somde op.

Zaterdag was hardloopdag. Zoals wel vaker was ik naar de Kralingse Plas gereden om een rondje rond de plas te doen. Vijf kilometer, met fenomenaal uitzicht over de Rotterdamse skyline. Het is er eigenlijk altijd druk, maar nooit overvol. Voordat ik me overgeef aan het rekken en strekken voor en na het hardlopen controleer ik automatisch, zonder er figuurlijk bij stil te staan, in welke richting ik voorover kan buigen zonder mijn kont direct in iemands gezichtsveld te planten. Meestal is dat in de richting van het fietspad, maar uit ervaring weet ik dat succes – lees: ongehinderd rekken en strekken – daarmee niet gegarandeerd is. Een pets op de billen is zo gegeven door een passerende fietser.

Op één van de drie beschikbare bankjes zit een jongeman om zich heen te kijken, ik maak dus maar gebruik van het bankje dat het verst van hem verwijderd is. ‘Er is genoeg afstand zo’, denk ik nog. Tegelijkertijd schaam ik me dat ik de jongen, die zich van geen kwaad bewust is, al bij voorbaat verdenk van onbetamelijk gedrag. Ook wanneer zijn blik langs mijn lichaam glijdt en hij verlekkerd naar me blijft kijken, hou ik vol: ‘met kijken is niks mis’. De muziek op mijn telefoon zet ik nog een standje harder.

Maar dan komt er een tweede jongeman naast me staan, gekleed in jeans en sweater. Hij wil weten welke spieren ik aan het rekken ben – mijn glutes. Of hij even mag voelen. Op z’n Rotterdams zeg ik dat hij moet optyfen en dat ik geen zin in toeschouwers heb. Vanbinnen maak ik me op voor een heftige confrontatie maar dan schiet toeschouwer nummer één me ‘te hulp’. ‘Doorlopen, één toeschouwer per keer’, zegt hij. En nu is hij ‘aan de beurt’ om zich aan me te verlekkeren.

Ik wil me niet laten intimideren, maar twee mannen is echt te veel. Ik haast me naar de auto en doe de deuren voor de zekerheid van binnen op slot.

Vrijdag is sportschooldag. Trainen voor de marathon betekent dat er bijna elke dag wel gesport wordt. Op de crosstrainer bij het raam doe ik een warming-up, lekker in de zon. Het synthetische t-shirtje dat ik aan heb is toch niet helemaal geschikt, dus trek ik het uit. Op de sportschool voel ik me veilig en thuis genoeg om in een sportbeha rond te lopen, niemand in de zaal die op- of omkijkt naar mij. Waar ik geen rekening mee had gehouden is het afgelegen parkeerdek waar ik op uitkijk. Twee mannen stappen uit hun geparkeerde auto. De bijrijder heeft een grote fles cola in zijn ene hand en een fles rum in de andere, de twee zijn klaarblijkelijk onderweg naar het aangrenzende park, maar hebben overduidelijk geen haast: als ogen konden uitkleden, is dat wat ze deden. Niet alleen werd er uitvoerig gekeken, er werd gezwaaid, er werd over lippen gelikt en er werd gebaard. De boodschap: de rum-cola drinker had me graag alle hoeken van het park laten zien.

Ik staar naar het scherm van de crosstrainer en probeer me niet te laten intimideren, maar na vijf minuten geef ik het op. ‘Niet door het park naar huis fietsen’, herinner ik mezelf.

Onderweg naar huis vanuit het café luister ik naar de podcast ‘Stuff Mom Never Told You’, waarin één van de presentatrices over de frequentie van straatintimidatie zegt:

“Vrijwel altijd wanneer een vrouw, cisgender, transgender of homoman, zijn of haar huis verlaat en over de stoep wandelt, moeten zij omgaan met wat we eufemistisch ‘catcalling’ zijn gaan noemen.”

Vrijwel altijd. Het is een waarheid als een koe voor vrouwen, maar valt moeilijk uit te leggen aan mannen die soortgelijke ervaringen niet hebben. Voor vrouwen is de straat iedere dag onveilig, op elk moment van de dag: zij het ochtend, middag, avond of nacht.

De rest van de podcast had ik graag afgeluisterd, maar ik moest mijn oordopjes voor de zekerheid uitdoen. Ik werd namelijk weer lastiggevallen. Een nogal grote man die langs de singel geparkeerd stond gooide zijn autodeur open, maakte de meest bizarre, sissende geluiden en wenkte me vanachter het stuur naar hem toe te komen (serieus gast, wanneer en hoe denk je dat dit ooit gaat werken?).

Ik besluit: het is de hoogste tijd om moeilijk te doen.

Dit is namelijk niet alleen míjn probleem, maar een sociaal probleem dat aangepakt moet worden. De Rotterdamse sis-boete wordt alom geridiculiseerd, maar het is hoognodig dat er wordt opgetreden tegen mannen die anderen intimideren. Nederland staat zichzelf er maar al te graag op voor een ontwikkeld land te zijn: dan wordt het de hoogste tijd dat die gore mannetjes hun ‘complimentjes’ voor zich houden. Goedschiks of kwaadschiks. Ik voel me liever veilig dan ‘lekker’. Bevestiging over mijn uiterlijk krijg ik van de spiegel, daar heb ik geen man voor nodig.

Ik wil me kunnen gedragen zoals ik wil, me kunnen kleden zoals ik wil, kunnen gaan en staan waar en wanneer ik wil. Exact zoals mannen dat kunnen en doen. Het is een schande dat ik mijn warming-up niet ongehinderd overal kan doen waar ik dat wil, het is schandalig dat er duizend-en-één excuses worden bedacht om het gedrag van mannen onbestraft te laten, dat dergelijke excuses zelfs worden geïnternaliseerd – ‘als ik geen kort rokje draag word ik niet lastiggevallen’ – en dat we het als maatschappij normaal zijn gaan vinden dat vrijheid op straat een mannending is.

In de jaren 70 van de vorige eeuw werden in de Verenigde Staten de eerste ‘Take Back the Night’-demonstraties gehouden. Wat mij betreft is het tijd voor een wereldwijde ‘Take Back the Streets’-actie waarin gestreden wordt om de publieke ruimte voor het eerst in de geschiedenis écht publiek te maken: van íedereen.

Geef een reactie

Laatste reacties (160)