3.738
29

Latijns-Amerika expert en publicist

Jeroen van Gerven (1969) is gepromoveerd in de sociale wetenschappen. Hij is onder meer redacteur geweest van het Latijns-Amerikamagazine La Chispa en is actief als Latijns-Amerikaexpert. Hij publiceert over internationale en multiculturele thema’s.

Geef de nazaten van door Nederland gekoloniseerde volkeren hun stem

Nu we het er wel over eens zijn dat de koloniale geschiedenis zwarte bladzijden ként, zou je verwachten dat juist historici dit ook willen terugzien in beelden of straatnamen

Met enige regelmaat laait de discussie over de zwarte bladzijden van het Nederlandse koloniaal verleden op. Ook enkele weken geleden weer, toen het besluit van de J.P. Coenschool in Amsterdam om haar naam te wijzigen en het feit dat het Mauritshuis in Den Haag een kunststoffen buste van zijn naamgever verplaatste, de aanleiding vormden. Bij nader inzien bleken dit geen hele grote kwesties, maar omdat ze raken aan de nationale identiteit tegenwoordig waren ze ruim voldoende voor heftige discussie. Tot een rustige afweging van argumenten komt het daarbij steevast niet, waardoor emoties de boventoon voeren. Dat pakt nadelig uit voor hen die van mening zijn dat de manier waarop Nederlands koloniale verleden – zoals de slavernij – in de openbare ruimte gepresenteerd wordt, erg eenzijdig is. CDA-leider Buma verwoordde in dit geval het gesundenes volksempfinden: “Handen af van onze J.P. Coen!”.

Nederland
Nationaal Monument Slavernijverleden | cc-foto: Arthena

De realiteit is dat Coen en consorten nog overal fier overeind staan en dat in ruime mate eer betoond wordt aan vooraanstaande bestuurders en zeehelden uit de koloniale tijd. Dit terwijl het slavernijmonument in Amsterdam het enige belangrijke symbool is waarmee het in de koloniale tijd aangerichte leed herdacht wordt. Laat staan dat er ruimte en aandacht is voor de helden van de strijd tégen het kolonialisme. Op zichzelf begrijpelijke, licht nationalistische gevoelens op grond waarvan elk land liever zijn heldendaden dan zijn wandaden belicht, vormen voor deze specifieke situatie echter geen geldig excuus.

Feit is immers dat velen uit de voormalige Nederlandse koloniën zich tijdens en na de dekolonisatie in Nederland hebben gevestigd. Zij en hun nazaten zijn Nederlands staatsburger, vaak ook hier geboren en mogen dus een weergave van de geschiedenis in de publieke ruimte claimen die ook hun visie representeert. De nazaten van door Nederland gekoloniseerde volkeren onderscheiden zich wat dat betreft van andere migrantengroepen. Juist het feit dat hun Nederlanderschap zo direct met de koloniale geschiedenis verbonden is, maakt het volstrekt redelijk dat hun visie ook deel van de vaderlandse geschiedenis uitmaakt.

De miskenning van dit op zichzelf heel redelijke verlangen begint met het feit dat, ook dit keer weer, de discussie te veel gekenschetst wordt als zou het gaan om een beeldenstorm. Dat geeft het debat van het begin af aan een hoog stropopgehalte. Op enkele radicalen na vraagt immers niemand om het op grote schaal verwijderen van beelden of vervangen van naamgevingen. Natuurlijk is er wel eens een school die een naam wijzigt of een museum dat zijn inrichting aanpast op basis van nieuwe historische inzichten of specifieke lokale omstandigheden. Dat lijkt me echter heel normaal en het goed recht van een particuliere instelling. Het verandert bovendien de weergave van de nationale geschiedenis in de openbare ruimte niet wezenlijk. In ieder geval is het heel goed mogelijk om de zwarte bladzijden te belichten zonder J.P. Coen, Maurits en andere belangrijke historische figuren volledig uit het straatbeeld te laten verdwijnen.

Het is dan ook betreurenswaardig dat veel historici die zich met het debat bemoeien, zoals de hoogleraren Piet Emmer en Herman Pleij, sterk leunen op het argument dat we de geschiedenis, ook als die pijnlijke kanten heeft, niet moeten willen uitwissen. Degeschiedenis uitwissen wil niemand, is niet aan de orde en is ook niet realistisch. De inrichting van de openbare ruimte is nou eenmaal op zichzelf ook geschiedenis. Je kunt niet bij elk nieuw inzicht de straatnamen wijzigen; met gemaakte keuzes moeten we het in principe doen. Juist historici zouden echter ook moeten beseffen dat spreken over de slavernij en andere schaduwzijden van het kolonialisme in ons land lang taboe is geweest. Daardoor kun je heel goed betogen dat het juist de pijnlijke kanten van de geschiedenis zijn die zijn uitgewist. Nu we het er langzamerhand wel over eens zijn dat de koloniale geschiedenis zwarte bladzijden ként, zou je verwachten dat juist historici dit ook willen terugzien in beelden of straatnamen.

Een ander argument van historici is dat je niet moreel over het verleden mag oordelen met de blik van nu. Dat is in zijn algemeenheid zeker zo, maar het miskent het feit dat ook in de koloniale tijd zélf al in negatieve zin moreel geoordeeld werd. Zo schreef ooggetuige Eduard Douwes Dekker in 1859 onder het pseudoniem Multatuli de roman Max Havelaar, een frontale aanklacht tegen de wijze waarop Nederlandse koloniale bestuurders in Nederlands-Indië omgingen met de plaatselijke bevolking. Bovendien waren er slavenopstanden en relatief veel deserteurs uit het Nederlandse leger. Sommigen, zoals de bekende Poncke Princen, liepen zelfs over naar de vijand. Het is dus zeker niet zo dat slavernij of koloniaal geweld tegen inheemse bevolkingen in die tijd geheel onomstreden zaken waren.

Deze twee genoemde geschiedkundige argumenten lijken vooral bedoeld om een ongemakkelijke discussie over de nationale identiteit in de kiem te smoren. Politici nemen ze dan ook graag over, premier annex historicus Rutte voorop. Maar het zijn in ieder geval nog inhoudelijke punten. Sommige deelnemers aan het debat vinden het nodig om kwaadaardigheid te suggereren. Zo stelde professor Emmer herhaaldelijk dat nazaten van slaven het koloniale verleden misbruiken om de slachtofferrol te kunnen vervullen. Ze zouden zich ten onrechte beklagen over achterstelling en discriminatie om hun eigen luiheid te maskeren. Dit is moeilijk vol te houden tegen het licht van discriminatie op de arbeidsmarkt die keer op keer wordt aangetoond. Bovendien zijn diepgewortelde vormen van achterstelling en superioriteitsgevoelens ten aanzien van mensen met een donkere huidskleur en/of een niet-Westerse afkomst, op zijn minst voor een deel gebaseerd op of bestendigd door koloniale verhoudingen. Het koloniaal verleden werkt dus wel degelijk door in de hedendaagse samenleving. Mensen die daar nadeel van ondervinden spélen niet de slachtofferrol, maar zíjn in meer of mindere mate slachtoffer en hebben alle recht en reden om dat te benoemen en aan te kaarten. Reden te meer om de geschiedenis ook eens door hun bril te belichten.

In het verlengde hiervan wordt het nazaten van gekoloniseerden wel kwalijk genomen dat zij zich gekwetst voelen door een verwijzing naar een pijnlijk verleden, omdat het immers allemaal al zo lang geleden is. Dat zijn ze natuurlijk in letterlijke zin ook niet; het gaat niet meer om mensen die men persoonlijk gekend heeft. Vermoedelijk zit de pijn in het ervaren van een gebrek aan kennis van en respect en aandacht voor de andere kant van de koloniale geschiedenis. Dan is hun gekwetstheid dus niet hun eigen probleem, zoals VVD-fractievoorzitter Dijkhoff stelde. We hoeven ons niet collectief schuldig te achten ten aanzien van het verleden, maar kunnen wel erkennen en zichtbaar maken dat het verleden tot op de dag van vandaag sporen nalaat bij een deel van de Nederlanders.

Ten slotte wordt het opkomen voor de eigen visie op de geschiedenis door nazaten van gekoloniseerden beschouwd als een vorm van de opkomst van identiteitspolitiek. Een fenomeen waarop sommigen felle kritiek hebben, omdat het tegenstellingen zou aanwakkeren. Zeker in dit geval is ook dat geen sterk argument. In mijn ogen is identiteitspolitiek eerder het gevolg dan de oorzaak van een verdeelde samenleving. Als je mensen als groep apart zet, voortdurend bestookt met kritiek en eisen ten aanzien van hun integratie en verlangt dat ze hun identiteit inruilen voor de Nederlandse identiteit, kan het geen verbazing wekken dat zij zich organiseren en machtsmiddelen zoeken rondom hun eigen identiteit. Vanzelfsprekend kan niet elke minderheid op afroep haar zin krijgen, maar als je redelijke verlangens niet serieus neemt, negeert en ridiculiseert, roep je de identiteitspolitiek over jezelf af. De visie op de koloniale geschiedenis van Nederlanders met wortels in de voormalige koloniën meer zichtbaar maken in de openbare ruimte is een mooi en makkelijk te realiseren begin om hier verandering in te brengen.

Geef een reactie

Laatste reacties (29)