552
3

vicevoorzitter FNV en portefeuillehouder Energietransitie

Vicevoorzitter FNV en portefeuillehouder Energietransitie

Nederland kleurt oranje tegen geweld tegen vrouwen, maar beleid blijft uit

Er is het afgelopen jaar, ook in de Nederlandse politiek, veel gesproken over seksuele intimidatie maar bitter weinig gedaan

Door: Kitty Jong en Jessica van Ruitenburg

25 november was het de internationale dag voor de uitbanning van geweld tegen vrouwen en meisjes. Een van die dagen die we eigenlijk niet zouden moeten gedenken. Toch is het nodig. Want geweld en intimidatie tegen vrouwen en meisjes is helaas een dagelijkse realiteit. 1 op de 3 vrouwen krijgt in haar leven te maken met een vorm van seksueel geweld en hoewel we allemaal wel wisten en weten dat dit een groot probleem was en is, ging een jaar geleden nog eens de beerput open die #Metoo heet.

Seksuele intimidatie is niet iets van het laatste jaar, maar van alle tijden. Het is ook niet iets wat zich alleen afspeelt in entertainment en politiek, maar op alle werkvloeren in alle sectoren. Uit FNV-onderzoek blijkt dat bijna de helft van de werknemers te maken heeft gehad met een vorm van seksuele intimidatie. 75% van hen is vrouw. Meestal gaat het om seksueel getinte grapjes, maar ook zeer ernstige vormen van geweld en intimidatie komen voor. Meer dan 10% geeft aan ongewenst aangeraakt te zijn. En een schokkende 2% geeft aan te zijn aangerand en verkracht.

vrouwen
cc-foto: Tijana Bosnjakov

De slachtoffers op de dagelijkse werkvloer hebben echter geen podium, noch in de media, noch bij een instantie of in hun eigen bedrijf. En daarin zit hem de pijn. Want hoewel de grote winst van #Metoo is dat seksuele intimidatie in de openbaarheid is gekomen; politiek en werkgevers hadden de handschoen op moeten pakken en actie moeten ondernemen om intimidatie op de werkvloer te voorkomen en te bestrijden. In de aanpak van alledaagse seksuele intimidatie stokt het. Er is het afgelopen jaar, ook in de Nederlandse politiek, veel gesproken over seksuele intimidatie maar bitter weinig gedaan. Nog steeds is er sprake van die vermaledijde zelfregulering; de zelfcontrole door werkgevers. Werkgevers moeten hun eigen beleid ten aanzien van seksuele intimidatie maken en controleren. De slager keurt zijn eigen vlees is hier heel ongepast van toepassing. De Inspectie SZW grijpt feitelijk pas in na melding van misstanden. Zo kan het dat bij een bedrijf op papier alles op orde is, maar in de praktijk vrouwen aan de lopende band worden lastig gevallen. Dat is volstrekt onacceptabel.

Uit ons onderzoek bleek ook dat een groot deel van de werknemers niet weet waar zij bij hun werkgever terecht kunnen wanneer zij te maken hebben gekregen met seksuele intimidatie. 1 op de 5 werknemers weet helemaal niet of hun werkgever überhaupt beleid heeft om intimidatie aan te pakken, laat staan dat de werknemers weten waar ze terecht kunnen met hun klacht. Het is daarom niet verbazingwekkend dat de helft van de slachtoffers van intimidatie geen melding doet. Vooralsnog wil de staatssecretaris nog niet overgaan tot het verplicht stellen van een onafhankelijke vertrouwenspersoon bij ieder bedrijf.

En dat is een gemiste kans, want daar is het nu namelijk wel de hoogste tijd voor. Er moet een veel stevigere aanpak van seksuele intimidatie komen door zowel werkgevers als door de Rijksoverheid.

Net als ieder jaar kleurde op 25 november gebouwen in veel Nederlandse steden oranje om daarmee op te roepen tot het uitbannen van geweld tegen vrouwen. De Nederlandse overheid en Nederlandse ambassades wereldwijd doen daar maar wat graag aan mee. Symbolisch steunt de Nederlandse overheid de strijd tegen geweld tegen vrouwen, maar in de praktijk gaat die steun nog niet ver genoeg. Nederland heeft het Verdrag van de Raad van Europa om geweld tegen vrouwen en meisjes uit te bannen, het Istanbulverdrag, geratificeerd. Dat geeft Nederland de verplichting om de aanpak van geweld en intimidatie in de samenleving en op de werkvloer te versterken. Tot nu toe zien we daar weinig van terug. Sterker nog, uit de schaduwrapportage van het Istanbulverdrag, opgesteld door NGO’s, waaronder FNV, blijkt dat de Nederlandse regering op vele punten steken laat vallen. Sterker nog: het huidige kabinet staat zeer terughoudend tegenover een nieuw verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) dat geweld en intimidatie op de werkvloer wereldwijd wil aanpakken. Een verdrag waarvan de werknemersorganisaties stellen dat het van groot belang is om geweld en intimidatie op de werkvloer wereldwijd adequaat aan te kunnen pakken. De Nederlandse regering wil alleen voor het ILO verdrag stemmen wanneer dat ratificeerbaar is, oftewel: wanneer de verdragstekst volledig in overeenstemming is met de huidige Nederlandse wetgeving. Werknemersorganisaties zijn er juist van overtuigd dat er in Nederland méér moet gebeuren. In het nieuwe verdrag zou de regie weer meer bij de overheden terecht komen. Maar vooralsnog staan zowel het kabinet als de werkgeversorganisaties niet te trappelen. Daarmee geeft de regering er blijk van wél in woord en in beeld iets te willen doen in de strijd tegen geweld tegen vrouwen, maar niet in de praktijk.

De FNV strijdt voor een werkvloer zonder geweld en intimidatie en pleit voor het stoppen met zelfregulering en de vrijblijvendheid voor werkgevers. Er moet een steviger beleid komen om intimidatie en geweld tegen te gaan. Een onafhankelijke, deskundige vertrouwenspersoon en een onafhankelijke klachtencommissie, met de benodigde bevoegdheden en doorzettingsmacht maken daarvan onderdeel uit. Dat betekent wel dat we nu deze maatregelen moeten nemen en dat er komende juni vóór een ILO-verdrag over geweld en intimidatie wordt gestemd. Zodat we volgend jaar niet hoeven te zeggen dat er weer een jaar is gepraat.

Bovenstaande tekst werd zondag 25 november uitgesproken, de dag voor de uitbanning van geweld tegen vrouwen en meisjes

Geef een reactie

Laatste reacties (3)