1.898
38

jurist, filosoof en lid CDJA

Nederlandse student is een keizer zonder kleren

Joop-debat: Beter onderwijs? Studenten en scholieren moeten zelf beter hun best doen

‘Meneer, wat is een hiaat?” Deze vraag, die mij in mijn tweede week als werkcollegedocent aan de Leidse rechtenfaculteit werd gesteld, bevat een hint van zijn eigen beantwoording.

In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte wordt de ambitie gesteld om tot de top-5 van de kenniseconomieën te behoren. Het regeerakkoord beoogt de kwaliteit van het hoger onderwijs te versterken en hogere prestaties te bevorderen. De concrete maatregelen die zijn voorgesteld, zijn bezuinigen op onderdelen van de begroting, die niet bijdragen aan het primaire proces, het invoeren van een sociaal leenstelsel in de masterfase, het verhogen van het collegegeld voor ‘langstudeerders’, het afschaffen van de numerus fixus, specialisatie van onderwijsinstellingen en samenwerking met het bedrijfsleven. Op het niveau van het basisonderwijs wordt een verplichting ingevoerd voor kinderen met een taalachterstand, om deel te nemen aan vroeg- en voorschoolse educatie. Ook wil men de kwaliteit van de lerarenopleiding verhogen en een prestatiebeloning voor docenten invoeren.
Zijn deze maatregelen bedoeld om het niveau van de Nederlandse universiteiten daadwerkelijk te verhogen en van Nederland een ‘competitief kennisland’ te maken?
Ondanks het positieve taalgebruik van het regeerakkoord nemen VVD en CDA geen afstand van het sinds jaar en dag geldende paradigma: politici en beleidsmakers zoeken de oplossingen in institutionele en kwantitatieve aspecten van het onderwijs, zoals studiefinanciering, prestatiebeloningen en het aantal contacturen. Zij hebben echter onvoldoende oog voor de inhoud van het onderwijs zelf en de examenniveaus voor het vwo, zaken die uiteindelijk bepalend zijn voor het gebrekkige niveau van de Nederlandse universiteiten.
Vanwege de daling van de examenniveaus zijn de Nederlandse onderwijsinstellingen inhoudelijk zodanig uitgehold, dat er niet veel meer overblijft dan een diplomamachine, waaruit duizenden Ungebildeten per jaar voortvloeien. De Nederlandse student is een keizer zonder kleren geworden: hij heeft misschien een vwo-diploma, maar in vergelijking met propedeusestudenten van vijftig jaar geleden, is hij minder bekwaam in wiskunde, spreekt hij zijn talen minder goed en heeft hij minder kennis van de wereldliteratuur.
Het gevolg is dat faculteiten de eerste semesters noodgedwongen besteden aan reparatiewerkzaamheden, en gezien de massaliteit van het onderwijs slagen zij er vaak niet in om studenten aan het einde van hun studie op een academisch niveau te brengen. Bij een flink aantal studies kan de vraag worden gesteld of er geen sprake is van wanprestatie van de onderwijsinstelling jegens de studenten en de maatschappij.
Hoe kan dat veranderen? Allereerst is het voor verbetering van het universitaire niveau essentieel dat eerst het niveau van de middelbare school verbetert: dat is bepalend voor al het andere onderwijs. Eerstejaars weten weinig, en daar kan met relatief weinig middelen heel veel aan worden gedaan.
De oorzaak daarvan is dat er te weinig van middelbare scholieren geëist wordt: de onderwijsmaterialen zijn, ook op het vwo, van een deplorabel niveau. Er mag gebruik worden gemaakt van grafische rekenmachines en naslagwerken tijdens proefwerken en examens. De verplichte boekenlijst voor Nederlands en de moderne talen voor het eindexamen is sterk verminderd. Bij geschiedenis worden geen data, personen en feiten onthouden, maar wordt er in los verband en met gebruik van politiek niet ongekleurde handboeken in algemene bewoordingen over ontwikkelingen ‘gereflecteerd’. Hoe kunnen de institutionele maatregelen, zoals in het regeerakkoord voorgesteld, ooit leiden tot enige verbetering op dit gebied? Weten eerstejaarsstudenten over vier jaar ook maar een greintje meer als ze binnenkomen op de universiteit?
Wat moet er gebeuren? Het behalen van een vwo-diploma moet een stuk minder vrijblijvend worden. Om ervoor te zorgen dat bètascholieren wiskundige bekwaamheid ontwikkelen, is tijdens de proefwerken en examens het gebruik van grafische rekenmachines niet toegestaan. Bij geschiedenis leren scholieren in de onderbouw belangrijke gebeurtenissen en situaties uit de (Europese) geschiedenis uit hun hoofd: zonder basale kennis is reflectie daarover zinloos. Wat is erop tegen om Nederlandse scholieren met een alfaprofiel voor elke taal, net zoals vroeger, een flink aantal literaire werken van voor 1850 te laten lezen? Zou het niet verrijkend zijn om ze deze werken gedeeltelijk uit het hoofd in de klas te laten opvoeren, en aan de hand van secundaire literatuur te laten becommentariëren?
Als studenten harder moeten werken, dan kan er weer een gezonde leercultuur ontstaan. Die is nu overbodig vanwege de gebrekkige inzet die is vereist om alles te halen. Ook zal het de inhoud van het alfaonderwijs ten goede komen en scholieren in grotere mate voorzien van een cultureel en historisch besef. Een toekomstige communicatieadviseur heeft misschien in zijn dagelijkse werk geen parate kennis van Shakespeare en Homeros nodig, maar in elk geval heeft hij dan een goede prikkel om af te zien van drie uren televisiekijken of het spelen van computerspelletjes. Het belangrijkste gevolg van het verhogen van de examenniveaus is dat, door hard te werken, pubers discipline wordt bijgebracht. Dit is nog steeds de belangrijkste deugd in onze economie, die in de permissieve leercultuur dreigt weg te vallen.
Studenten en scholieren kunnen hogere examenniveaus aan, ook zonder dat er meer aandacht aan ze wordt besteed, namelijk door zelf beter hun best te doen. Hoe hoger de lat wordt gelegd, hoe groter de kans dat het niveau toeneemt. Hoe harder mensen moeten werken voor iets, hoe meer zij het idee krijgen dat er echt iets valt te leren, en hoe groter de kans dat zij intrinsieke motivatie ontwikkelen om verder te studeren. Mochten zij deze intrinsieke motivatie niet ontwikkelen, dan hebben zij tenminste meer kennis opgedaan en discipline geleerd. En mochten zij deze motivatie op latere leeftijd wel ontwikkelen, dan hoeven zij er geen spijt van te hebben dat zij op hun vijftiende niet doorhadden dat je in Nederland als middelbare scholier – uitzonderingen daargelaten – autodidact moet zijn, om echt iets te leren.
Kunnen Nederlandse jongeren een hoger niveau wel aan? Dat ze het twee generaties geleden konden, bewijst dat het nu ook kan, ongeacht de opkomst van internet en andere communicatiemiddelen. Ook dient een vergelijking met het buitenland zich aan. In Nederland wordt gedacht dat studenten aan buitenlandse topuniversiteiten slimmer zijn dan Nederlandse studenten. Deze gedachte is niet terecht. Uit ervaring weet ik dat het merendeel van de bachelorstudenten in bijvoorbeeld Cambridge niet slimmer is dan de gemiddelde ex-gymnasiast. Zij hebben echter wel meer discipline, omdat van hen veel meer wordt gevergd, zowel door de middelbare school als door de universiteit. Per week leveren ze per vak één essay in, waarvoor meerdere boeken en artikelen gelezen moeten worden. Ook bestaan er in Cambridge geen herkansingsmogelijkheden. Toch vallen er per studie veel minder mensen af dan in Nederland.
Ten tweede is het noodzakelijk om de perverse prikkels in het (financierings)stelsel van het hoger onderwijs weg te nemen. De overheid meent dat de kwaliteit van opleidingen moet worden versterkt, maar doet niets aan het huidige mechanisme waarin faculteiten geld krijgen per studiepunt dat de student behaalt en wanneer de student een diploma ontvangt. Daardoor hebben faculteiten, die toch al kampen met te weinig docenten in verhouding tot het aantal studenten, een prikkel om de examenniveaus te verlagen, zodat zij sneller aan inkomsten komen.
Dit heeft onlangs geleid tot een schandaal bij de hogeschool InHolland. Het is echter een structureel probleem, dat met name bij grote studies heeft geleid tot niveauverlaging, dat zich bijvoorbeeld manifesteert in eenvoudigere tentamenvragen, multiple-choice tentamens, verwaterde leerstof, kortere scripties en hoorcolleges die door een videoverbinding gevolgd worden.
Een andere kwestie is dat de student niet zelf voor zijn onderwijs betaalt. Het wettelijke collegegeld is een vast bedrag dat bij de meeste studies ver onder de werkelijke kosten ligt. Die worden in het huidige stelsel vergoed door de staat, die studenten bovendien studiefinanciering geeft. Gepaard met de vaak onbeperkte mogelijkheid tot herkansing, maakt dit dat studenten de consequenties van onverantwoordelijk studiegedrag zelf nauwelijks ondervinden. In dit verband zijn het invoeren van een sociaal leenstelsel voor de masterfase en het verhogen van het collegegeld voor mensen die te weinig studiepunten halen, misschien een stap vooruit.
Geen systeem is perfect, maar ons systeem kan veel beter. Om de perverse prikkel voor studenten weg te nemen, kunnen een aantal maatregelen worden overwogen.
Ten eerste: geef aan de studenten, zoals nu het geval is aan University College Utrecht, geen standaard herkansingsmogelijkheid. Dan zullen zij zich gedwongen voelen om serieuzer te studeren. Ten tweede: selecteer bij elke studie aan de poort met een selectiegesprek aan de hand van een motivatiebrief en een cv, al was het maar om ervoor te zorgen dat studenten beter gemotiveerd aan hun studie beginnen en slechte studiekeuzes voorkomen. Ten derde: verhoog het wettelijke collegegeld tot een reëler bedrag. De student of zijn ouder schrijft dan een hoger bedrag van zijn rekening af, dat eventueel achteraf door de overheid vergoed wordt wanneer de studieresultaten zich daarvoor lenen. Op deze wijze realiseert de student zich dat studeren niet voor niets is, en doet hij – net zoals in de rest van de wereld – beter zijn best.
Het Nederlands middelbaar onderwijs is sinds de Mammoetwet van 1968 steeds middelmatiger geworden. De doelstelling om mensen gelijke kansen te geven is goed, maar behoort er niet toe te leiden dat de massa op een gemiddeld lager niveau uitkomt, dan voorheen. Een remedie daarvoor is een heropleving van het verheffingsideaal, dat ten grondslag lag aan het Bildungsideaal van Von Humboldt en zijn Nederlandse volgers. Het verhogen van het niveau sluit een hoog aantal gediplomeerden niet uit: hoe hoger de lat wordt gelegd, hoe meer mensen hun best zullen doen. Dat betekent overigens niet dat een ambacht of een ander niet-academisch beroep weinig voorstelt. Daarvoor geldt een vergelijkbaar argument als voor de universiteiten, alleen dan met betrekking tot technische vaardigheden.
Daadwerkelijke kennis van gediplomeerden is de enige maat waaraan de kwaliteit van het onderwijs gemeten moet worden. Politici, beleidsmakers en vertegenwoordigers van studenten en onderwijsinstellingen zouden zich minder op de natjes en droogjes moeten richten en meer op de werkelijke belangen van studenten. Waarom zetten zij zich niet sterker in voor de verhoging van de examenniveaus en serieuzere onderwijsmaterialen?
De harde les is dat, om onze ‘kenniseconomie’ internationaal competitief te maken, er niet alleen meer, maar ook vooral goede ingenieurs en masters nodig zijn.

Bart Fleuren gaat dinsdagochtend om 11:45 uur in debat bij DeGids.FM, live op Radio 1.

Dit artikel verscheen ook in NRC Handelsblad

Geef een reactie

Laatste reacties (38)