1.354
2

Psycholoog, auteur, columnist

Roos Vonk is hoogleraar sociale psychologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Ze is daar onder meer betrokken bij de master-opleiding Gedragsverandering.

Daarnaast heeft ze jarenlange ervaring als coach en trainer op het gebied van zelfkennis, authenticiteit, en zelfontwikkeling. Ze staat bekend om haar talent om wetenschappelijke inzichten op begrijpelijke en onderhoudende wijze te presenteren aan een breed publiek.

Vonk heeft een column in Psychologie Magazine en schreef eerder de bestsellers Ego’s en andere ongemakken, Menselijke gebreken voor gevorderden en Liefde, lust en ellende.

Nét geen goud

Het is maar een kleine stap van 'had ik maar…' naar 'als ik nou voortaan …'

Voor een zilveren-medaille-winnaar leek Sven Kramer gisteren wel erg ongelukkig. Begrijpelijk, gezien de verwachtingen. Maar het verschijnsel dat winnaars van zilver wat sip kijken, is veel algemener.

Je trein nèt missen, nèt niet onder een omwaaiende boom terechtkomen, of net wel, de 1000e klant zijn in de winkel en daardoor in de prijzen vallen: het zijn allemaal voorbeelden van situaties waarin mensen sterk geneigd zijn tot counterfactual thinking, bijvoorbeeld: als dat telefoontje mij niet had opgehouden, als ik net een minuutje eerder was vertrokken, of een minuutje later – dan was het allemaal heel anders gelopen.

Als je makkelijk ‘contrafeiten’ kunt bedenken die je uitkomst slechter maken (je liet iemand voorgaan en zo werd je de 1000e klant), versterkt dit je emotionele reactie. Je voelt je dus extra blij als de situatie dicht bij een negatiever resultaat in de buurt komt. Omgekeerd is het effect nog sterker: Als je net niet wint in de Miljoenenjacht doordat je verkeerd drukt, dan ben je extra gefrustreerd. Je kunt je immers heel makkelijk voorstellen dat het anders was gelopen.

Contrafeitelijk denken heeft dus invloed op je emoties. In een onderzoek* werd dit idee getoetst aan de hand van de reacties van medaillewinnaars op de Olympische Spelen van 1992. Er werd gebruikgemaakt van video-opnamen van de medaillewinnaars direct na het horen van de uitslag en bij de huldigingsceremonie. Het bleek dat de bronzen medaillewinnaars meer positieve emoties toonden dan de winnaars van de zilveren medaille. Dat verschil trad op zowel direct na de uitslag als bij de huldiging. De winnaars van zilver zeiden tegen journalisten vooral dingen als: ‘Ik had het bijna voor elkaar’ en ‘Het scheelde weinig of ik had hem te pakken gehad’. De winnaars van brons hadden het vooral over wat ze wél bereikt hadden, zoals: ‘Ik sta op het podium’.

Uit hun gezichtsexpressies kwam hetzelfde patroon naar voren: de winnaars van zilver keken gemiddeld minder blij dan de winnaars van brons, terwijl ze toch een hogere prijs hadden gewonnen. Dit verschil bleef aanwezig als er gecontroleerd werd voor de aanvankelijke verwachtingen van de atleten. Hoewel verwachtingen natuurlijk mee kunnen spelen, zoals ook bij Sven Kramer, werd het verschil in blijheid van de ziver- en brons-winnaars dus niet veroorzaakt doordat de zilver-winnaars vaker hadden verwacht dat ze hoger zouden eindigen.

De verklaring is dat voor de zilver-winnaars het verschil met goud heel klein is, dus makkelijk voor te stellen, hetgeen hun vreugde kan temperen: ze hebben net-niet gewonnen. Voor de brons-winnaars is juist het halen van de vierde plaats (geen prijs) een heel nabij alternatief: ze hebben net-niet verloren. Hun blijdschap wordt daardoor versterkt.

De neiging tot counterfactual thinking is sterker opwaarts (het had beter kunnen zijn, zoals bij Kramer) dan neerwaarts (het had slechter kunnen zijn, zoals bij Bergman). In feite maken we onszelf dus vaak extra ellendig met dit soort gedachten. Waarom doen we dat? Kunnen we niet beter stoppen met die ‘if only’-zelfkwelling? Misschien, maar het lijkt toch twee zinvolle functies te hebben. Het kan helpen als voorbereiding om het de volgende keer beter te doen. Het is immers maar een kleine stap van ‘had ik maar…’ naar ‘als ik nou voortaan …’. Dit geldt uiteraard alleen als je contrafeiten zoekt bij je eigen gedrag, omdat dit beheersbaar is. Een andere functie is dat contrafeitelijk denken lijkt te helpen bij zingeving.** Mensen die meer stil staan bij contrafeiten rondom keerpunten in hun leven (‘wat als ik nou toch voor die andere baan was aangenomen’) hebben sterker het gevoel dat het ‘zo moest zijn’ en zien meer positieve kanten aan hoe het gelopen is. Aldus geven we met onze hersenspinsels weer zin aan de lukrake ellende van het leven. Dus, arme Sven, het heeft zo moeten zijn. Maar ook: Hup Sven, volgende keer gaat het vast lukken!

* Medvec, e.a. (1995). When less is more: Counterfactual thinking and satisfaction among Olympic medal winners. Journal of Personality and Social Psychology, 69, 603-610.
** Kray, e.a. (2010). From what might have been to what must have been: Counterfactual thinking creates meaning. Journal of Personality and Social Psychology, 98, 106-118.

Eind maart verschijnt het nieuwe boek van Roos Vonk, Je bent wat je doet


Laatste publicatie van RoosVonk

  • De eerste indruk

    2017


Geef een reactie

Laatste reacties (2)