2.169
89

Schrijver

Said El Haji (1976, Marokko) is schrijver. Hij won in 2000 de El Hizjra-aanmoedigingsprijs voor het korte verhaal “De kleine Hamid”. In hetzelfde jaar publiceerde hij zijn debuutroman De dagen van Sjaitan. Wat volgde waren vele lezingen en voordrachten op talloze podia en fora. Ook werkte hij als columnist voor tal van regionale en landelijke kranten en bladen. In 2006 stelde hij de bloemlezing 25 onder de 35 samen, waarvoor 25 van de nieuwste lichting Vlaams-Nederlandse schrijvers onder 35 jaar werden geselecteerd. In datzelfde jaar verscheen Goddelijke duivel, zijn tweede roman. Najaar 2011 publiceerde El Haji zijn derde roman, De aankondiging.

Niets mis met nationalisme

De echte erfenis van Fortuyn is een zelfbewuste trots waarin individuele vrijheid en openheid op ouderwets conservatieve wijze worden verdedigd

Het is tien jaar geleden dat Pim Fortuyn vermoord werd. De vraag wat zijn politieke nalatenschap is aan Nederland wordt alom gesteld. Waar de ene mismoedig concludeert dat we tien jaar later nog steeds niks van Fortuyn hebben geleerd, stelt de ander dat we dat ook nog helemaal niet kunnen. De een roemt hem om het doorbreken van de politieke correctheid van de jaren negentig, de ander om het populariseren van de politiek.

Denk ik aan Pim Fortuyn, dan denk ik aan nationalisme. Niet het enge, naar Janmaat en Dewinter riekende nationalisme van ‘eigen volk eerst’ en ‘vol is vol’, maar een zelfbewuste trots waarin algemeen Westerse verworvenheden zoals individuele vrijheid en openheid op ouderwets conservatieve wijze worden verdedigd. Daar is niets mis mee. Sterker, het is gezond. In zowat alle landen van de wereld wordt een zekere mate van patriottisme gecultiveerd, alleen in Nederland (en Duitsland) doen we daar zo verrekte moeilijk over.

Volgens filosoof Jos de Mul had Fortuyn zijn dood kunnen zien aankomen. ‘Wie door het uitspreken van de wens het eerste artikel van de grondwet, dat discriminatie verbiedt en daarmee een van de pijlers is waarop de symbolische orde van de democratische rechtsstaat berust, af te schaffen, (…) die kondigt in feite de ‘politieke natuurtoestand’ af en ruilt daarmee de jure de politiek in voor de burgeroorlog. Daarmee speelde Fortuyn met vuur,’ stelde hij in zijn op 3 mei jl. gehouden Rotterdam Lezing.

Feit is dat Fortuyn nooit heeft gezegd dat hij artikel 1 van de grondwet wil afschaffen, maar alleen het discriminatieverbod dat in dit artikel geformuleerd staat. Het artikel in zijn geheel stelt namelijk dat ‘allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk [worden] behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’ Het eerste deel wordt het gelijkheidsbeginsel genoemd, het tweede het discriminatieverbod.

Fortuyn ging het destijds om het laatste. En zijn argumentatie daarvoor was, dat het discriminatieverbod de vrijheid van meningsuiting beperkte. Mensen moesten zich vrij kunnen uiten over andere mensen, zonder daarvoor direct voor het gerecht te worden gedaagd. In zijn ogen had een imam evengoed het recht om hem als homoseksueel lager dan een varken te vinden, als hijzelf moest kunnen zeggen dat de islamitische cultuur een achterlijke is. De bron van zijn controversiële voorstel, zit ‘m denk ik vooral in de afkeer van cultuurrelativisme. Die afkeer is inmiddels salonfähig, maar Fortuyn was de eerste ‘mainstream’-politicus die dat publiekelijk aan de kaak stelde, omdat hij ervan overtuigd was dat de Westerse cultuur superieur was aan de islamitische. Dat moest hij kunnen vinden en dat vond hij dus ook. Waarmee hij recht tegen de heersende moraal, die was ontstaan door de vrees om dezelfde dwaling te begaan als die tot de Tweede Wereldoorlog had geleid, inging.

Door die ellendige oorlog is nationalisme in Nederland een halve eeuw lang taboe geweest. Ik weet nog goed hoe er op mijn openbare middelbare school in Rotterdam begin jaren negentig ineens allerlei kortgeknipte jongens met bomberjacks rondliepen, en openlijk flirtten met patriottisme. Ze werden tot neonazi’s bestempeld en ik deed daar hard aan mee. Mensen die met Nederlandse vlaggetjes op hun kleding rondliepen, waren eng. Ik wist: neonazi’s zijn tegen buitenlanders en daarmee zijn ze tegen mij. Ik zag dus een persoonlijke bedreiging in hen, en daarmee was mijn demonisering van die lui gerechtvaardigd. In hoeverre deze schoolgenoten werkelijk neonazi’s waren, was een vraag die ik me niet stelde. Ik ging er gewoon vanuit, want waarom droeg je anders een Nederlandse vlag op je jas? Nogal wiedes dat veel van hen zich ook als neonazi’s gingen gedragen. Ze zagen gewoonweg geen andere manier om uiting te geven aan hun ontluikende vaderlandsliefde. Opstandig verklaarden ze op het extreemrechtse CP’86 te stemmen.

Dat is door Fortuyn anders geworden. Die heeft ervoor gezorgd dat nationalisten beschaafde mensen kunnen zijn. Dat een premier de loftrompet kan steken over de VOC-mentaliteit. Dat we kunnen zeggen dat in Nederland de joods-christelijke cultuur de dominante cultuur is. Dat in een kamer van ons parlement voor heel even de omstreden Prinsenvlag hangt. Dat de islam fascistisch is, zoals we dat al onomwonden vonden van het christendom. Alleen van het jodendom doen we dat (nog) niet zo graag, maar dat heeft weer met die verdomde oorlog te maken.

Geef een reactie

Laatste reacties (89)