1.830
28

Universitair hoofddocent, UvA

Joost van Spanje is universitair hoofddocent politieke communicatie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is gespecialiseerd in onderzoek naar de reacties van de gevestigde orde op nieuwe politieke partijen. Dit omvat juridische reacties (bijv. strafvervolging), politieke reacties (bijv. cordons sanitaires) en media-reacties (bijv. doodzwijgen). Joost is winnaar van de Jaarprijs Politicologie 2010, van een NWO Veni-onderzoeksbeurs in 2012 en van een NWO Vidi-onderzoeksbeurs in 2015.

Nieuw Nederlands Nee?

Wat zou een volgend EU-referendum ons brengen?

Een nieuw EU-referendum. Eurosceptici hopen erop; eurofielen vrezen ervoor. Terecht? Of zo’n referendum er ooit komt is twijfelachtig. Bovendien zou de uitslag sterk afhangen van de vraag die in dat referendum wordt gesteld. Het vorige referendum, deze maand negen jaar terug, leert ons dat framing van die vraag de doorslag kan geven.

“Je kunt er donder op zeggen dat er bij het volgende EU-verdrag een referendum komt,” aldus Niesco Dubbelboer onlangs. In 2003 was Dubbelboer als PvdA-Tweede Kamerlid mede-indiener van het wetsvoorstel dat leidde tot het referendum over de Europese Grondwet. Destijds was een belangrijke reden voor het houden van een referendum de verwachte vergroting van het draagvlak voor de EU. Nadat de Nederlandse bevolking overweldigend ‘ja’ zou hebben gestemd, zoals de verwachting was. De Raad van State merkte destijds in zijn advies op dat Dubbelboer en zijn mede-indieners niet stil hadden gestaan bij de mogelijkheid dat het referendum zou ‘mislukken.’ Met een ‘nee’ hadden de drie Kamerleden domweg geen rekening gehouden.

Een blunder – maar minder onbegrijpelijk dan die lijkt. Een ‘Nee’ leek onwaarschijnlijk. De Grondwet bevatte geen radicale wijzigingen, maar bestond vooral uit bestaande verdragen. Ze genoot de steun van vijf partijen, samen goed voor 83% van de stemmen bij de recentste Tweede Kamerverkiezingen. Bovendien stond Nederland bekend als pro-EU. Driekwart van de Nederlanders was voor EU-lidmaatschap en 72% voor de euro. Bij Europese verkiezingen kregen pro-EU partijen steevast minstens 83%. Ook na de beslissing tot een referendum leek het lange tijd een gelopen race. Acht maanden voor het referendum was volgens een peiling 73% van de Nederlanders vóór een Grondwet en 20% tegen. Vier maanden voor het referendum zei in een Spaanse volksraadpleging 82% ‘sí.’ De Spaanse uitslag was geen uitzondering. Meer algemeen hadden van de 39 eerdere keren dat er in een Europees land een EU-referendum was gehouden er liefst 29 in ‘ja’ geresulteerd.

Frame
Waarom dan een Nederlands ‘nee’? Van alle verklaringen die hiervoor zijn gegeven is voor een eventueel volgend referendum vooral van belang dat veel kiezers vóór sommige aspecten van de EU zijn maar tegen andere aspecten. Velen vreesden een Europese ‘superstaat,’ bedreiging van de Nederlandse cultuur, of toetreding van Turkije. Het lukte het ‘nee’-kamp om juist die aspecten centraal te stellen in de campagne. Voorstanders lieten het initiatief aan tegenstanders, die met een intensieve campagne het referendum frameden als een keuze voor of tegen zo’n ‘superstaat.’ Geconfronteerd met die keuze waren veel kiezers er snel uit: tegen! Cruciaal voor hoe kiezers de keuze interpreteerden was wellicht dat de ‘nee’-campagne maandenlang vrij spel had. Vanwege hun verdeelde achterban hadden de grote partijen er geen belang bij zich uit te spreken. De ongeorganiseerde ‘ja’-campagne speelde in op angst – inclusief waarschuwingen dat een ‘nee’ de economische voorspoed en vrede zou bedreigen.

Bij een volgend referendum kunnen voorstanders zich beter richten op inhoudelijke argumenten. Dat was waar de meeste kiezers zich in 2005 op baseerden. Weinig kiezers waren bijvoorbeeld louter uit op het afstraffen van de regering. Slechts 2% van de kiezers zei vooral tegen de regering te hebben gestemd. In verscheidene studies bleek stemgedrag veel minder sterk gerelateerd aan houdingen ten opzichte van de regering dan aan EU-houdingen. Het ging kiezers niet zozeer om de Grondwet. Die zal vrijwel niemand hebben gelezen. Nee, van doorslaggevend belang, aldus onderzoekers, waren houdingen ten opzichte van de EU in het algemeen – net als bij veel EU-volksraadplegingen in andere landen. Dat zou bij een volgend EU-referendum heus niet anders zijn.

Ambivalentie
Hier komt framing om de hoek kijken. Die EU-houdingen zijn immers nog steeds ambivalent. Enerzijds zijn steeds meer Nederlanders tegen verdere integratie, en steeds meer voor terugdringing van ‘Brusselse invloed.’ Er is weinig waardering voor Europese instituties. In 2004 had 45% een positief beeld van de EU; afgelopen maart was dat nog maar 31%. Het percentage dat vertrouwen had in de EU was al laag in 2004 en is nu nog lager. Dit terwijl het aantal kiezers dat de neiging heeft de EU te wantrouwen steeg. Hoewel de tevredenheid met de democratie in de EU iets toenam, is er een kritische houding ten opzichte van de EU, die de laatste tien jaar in het algemeen nog kritischer is geworden.

Anderzijds wil de overgrote meerderheid de euro houden en in de EU blijven. Net als tien jaar geleden. Steun voor de euro was in maart dit jaar met 74% minstens zo groot als eind 2004. Steun voor EU-lidmaatschap bleek even overweldigend als destijds – ook al is de tegenstand nu wat opgelopen. Bovendien vindt al jaren zo’n 60% dat ons land profijt heeft gehad van lidmaatschap. Gezien deze ambivalentie is essentieel hoe een nieuw EU-referendum zou worden geframed. Hoewel framing een volgende keer moeilijker zou zijn, kan het opnieuw beslissend blijken. Als kiezers ‘nee’ zien als rem op verdere bevoegdheidsoverdracht naar Brussel stemmen ze immers anders dan als ze ‘nee’ interpreteren als rem op economische samenwerking.

Als het ‘ja’-kamp dit inmiddels ook snapt, wordt een volgend EU-referendum wèl spannend.

Voor nuttige opmerkingen op eerdere versies van deze bijdrage bedank ik graag Kees Aarts, Henk van der Kolk, Paul Lucardie, Philip van Praag en Andreas Schuck.

Geef een reactie

Laatste reacties (28)