2.221
7

Activist

Activist. Schreef tot nu toe pittige artikelen over wapenhandel, onduurzame voedsel en kleding, tax injustice, racisme en het disfunctioneren van het maatschappelijk middenveld. Tot juli 2011 directeur van Fairfood International (www.fairfood.org). Frank was tevens tot juli 2011 bestuurslid van de brancheorganisatie voor ontwikkelingsorganisaties Partos (www.partos.nl). Voor Fairfood was Frank werkzaam voor Amnesty International en Fairtrade Original. Hij komt uit het bedrijfsleven waar hij jarenlang werkzaam was als management consultant.

Ontwikkelingshulp in Nederland: een wit gebeuren

Nederland blijft ontwikkelingslanden nog tot 2021 vertellen hoe ze zich moeten ontwikkelen

Als het niet om zo’n serieuze zaak zou gaan, dan had de laatste episode van de soap ontwikkelingssamenwerking de kijkers behoorlijk op de lachspieren gewerkt. Afgelopen vrijdag presenteerde minister Ploumen voor internationale handel en ontwikkelingssamenwerking haar 25 ‘partners’. Die moeten een stevige trackrecord ten aanzien van beleidsbeïnvloeding hebben.

Logisch dat Milieudefensie en Oxfam Novib daarom uitgekozen zijn. Maar SNV en het Rode Kruis? Verder valt vooral op dat de oude garde de beleidsvernieuwing moet doorvoeren. Daar hoef je niet voor gestudeerd te hebben om te snappen dat dat niet gaat werken. Maar wellicht waren er geen nieuwe spelers op de markt? Nou, Ploumen kon kiezen uit 65 goede potentiële partners, velen mét een goede trackrecord ten aanzien van beleidsbeïnvloeding.

Los van de keuze van de partners, is het ‘vernieuwingsbeleid 2016 – 2020’ op 3 levels bijzonder slecht.

1. Nederland geeft zelf het slechte voorbeeld
Binnen het nieuwe beleid is de financiering van tegenmacht tot het minimale gereduceerd. Terwijl Nederland het steeds slechter doet en steeds meer mensenrechten schendt (denk o.a. aan ons asielbeleid), plakt Ploumen de maatschappelijke organisaties nog dichter tegen de overheid aan. Het belobbyen van onze eigen overheid, en vooral het campagnevoeren tegen onze eigen overheid, is tot het minimale beperkt.

Overigens is dat vooral zelfcensuur van de maatschappelijke organisaties, bang om geen ‘partner’ van Ploumen te mogen worden. Neem bijvoorbeeld de ramp in Bangladesh. Zou nooit meer mogen gebeuren. Maar ondanks dat vele maatschappelijke organisaties erkennen dat daarvoor duurzame vraag nodig is, die niet voldoende ontstaat door bewuste consumenten, durven deze clubs Ploumen nauwelijks onder druk te zetten om duurzaamheidswetgeving in te voeren. Idem de aanpak van Nederland als belastingparadijs. Een beetje zachtjes blaffen, en daar houd het wel mee op. En over gender kan ik helemaal kort zijn. De lobby faalt. In de top van de Nederlandse beursgenoteerde bedrijven is 9% vrouw. Zelfs de top van de ontwikkelingsorganisaties zelf is merendeel man.

In Nederland heeft het doorgeschoten poldermodel er inmiddels voor gezorgd dat er weinig beweging zit in dossiers als gender, klimaat, tax justice, duurzame kleding etc, maar Nederland gaat dat poldermodel nu exporteren naar ontwikkelingslanden. Over misplaatste arrogantie gesproken. Als Nederland aanbodgericht wil werken, dan is het van groot belang om in Nederland zelf te laten zien dat het werkt. Anders is er geen gezag, hetgeen nodig is voor aanbodgericht werken.

2. Vraaggericht werken
Los van het feit dat het verkopen van aanbodgericht werken niet werkt, als het in eigen land niet (meer) functioneert, hebben Westerse landen internationaal afgesproken vraaggericht te gaan werken. Westerse landen moeten hun normen, waarden en werkwijzen niet opdringen aan ontwikkelingslanden, maar die landen in hun waarde laten en inspelen op een vraag. Ik hoef hier weinig woorden aan vuil te maken. Het nieuwe beleid is bepaald in Den Haag. Zelfs de diaspora in Nederland is nauwelijks betrokken geweest bij de totstandkoming van het beleid. Ontwikkelingssamenwerking in Nederland is met name een wit gebeuren. Vooral witte mensen menen te weten wat goed is voor Afrika. Ploumen had er goed aan gedaan nu echt werk te maken van vraaggericht werken en had de diaspora intensief moeten betrekken bij het opstellen van haar beleid.

3. Meeste hulp blijft in Nederland of komt terug
Last but not least. Van de gegeven hulp blijft vervolgens ook nog een groot gedeelte in Nederland (helaas niet om onze regering onder druk te zetten, maar om de projecten ‘daar’ aan te sturen, want zonder onze sturing gaat het niet goed, is de gedachte). En ook van het geld dat daar heen gaat, komt het grootste gedeelte weer naar Europa terug, omdat bijvoorbeeld Nederlandse bedrijven de opdrachten uitvoeren en nog steeds Nederlanders daar veelal het werk doen. Hoe belangrijk ‘Nederland’ is binnen het nieuwe beleidskader bleek uit een vertrouwelijk document waarin expliciet werd genoemd dat bezuinigingen op ontwikkelingshulp zo min mogelijk ten koste moet gaan van werkgelegenheid bij de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties.

Hoe verder?
Ontwikkelingshulp, zeker in de huidige vorm, heeft weinig met internationale solidariteit te maken, maar alles met het in stand houden van onze machtspositie, het afkopen van ons schuldgevoel daarover, en het stimuleren van onze bedrijven.

Van Ploumen was echter niet meer te verwachten. Ploumen zit vast in een coalitie met de VVD, die nog liever een groter gedeelte van het budget had overgeheveld naar het bedrijfsleven. En van het financieren van tegenmacht moet de VVD al helemaal niets hebben.

De verandering had moeten komen van de maatschappelijk organisaties. Dat waren toch door de wol geverfde beleidsbeinvloeders die ontwikkelingslanden gaan leren hoe het moet? Het echte probleem is dat de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zelf het probleem niet zien. Ondanks weinig resultaat op de verschillende dossiers, zijn ze tevreden. En ze vinden het beleid van Ploumen gewoon goed. Tien jaar geleden verguisden zij Amerikaanse NGO’s nog omdat die het Amerikaanse buitenlandse beleid mede uitvoerden. Nu zijn onze ontwikkelingsorganisaties ook gewoon onderdeel van onze geopolitiek.

De wereld wordt steeds ‘platter’. De verschillen tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden worden steeds kleiner. De wereld heeft internationale solidariteit nodig tegen de arrogantie van de macht die overal hoogtij viert. Daartoe moeten Nederlandse maatschappelijk organisaties de band met de burger herstellen, door burgers te betrekken bij de organisatie en invloed te geven op het beleid, in plaats van burgers om donaties te vragen via dure commerciële buros. Tevens hadden de organisaties kunnen verhuizen naar goedkopere locaties (dan de dure binnensteden), hadden ze de salarissen kunnen verlagen vanuit de solidariteitsgedachte. Kortom, het hadden weer echte maatschappelijk organisaties moeten worden in plaats van onderaannemers van Ploumen. En als echte maatschappelijke organisaties kunnen ze op basis van gelijkwaardigheid samenwerken met soortgelijke organisaties in andere landen.

Tijdens het feestje na aanleiding van het 65 jarige bestaan van ontwikkelingshulp in Pakhuis de Zwijger vorig jaar oktober beaamde de witte sector expliciet een integraal onderdeel te zijn van het Nederlandse buitenlandse beleid. Onder de honderden aanwezig waren drie mensen uit de Afrikaanse diaspora. Het ontbreken van diaspora-organisaties binnen de 25 ‘partnerschappen’ zal dan ook niemand meer verbazen. En daarmee is alles gezegd.

Geef een reactie

Laatste reacties (7)