3.427
14

Schrijfster

Eva Rensman schrijft over alles waarover ze zich verbaast, verwondert en het hoofd breekt. Eva Rensman schrijft ook columns voor tijdschrift Genoeg [zie: www.genoeg.nl] en op haar eigen site.

Ouderwets schelden

Ik merkte pas dat ik vroeger vloekte bij het leven toen mijn kinderen me na begonnen te praten

Vroeger vloekte ik bij het leven. Godverdomme, kut, klote, het rolde allemaal zo mijn mond uit. Soms wisselde ik het af met de oud-Hollandse traditie van schelden met ziektes en hield ik het op tering, klere en pokken.

Ik wist het niet eens van mezelf. Ik merkte het pas toen mijn oudste kind begon te praten. Het was op een dag dat ik met haar een fietstochtje maakte. Het was lente, mooi weer, ik wilde even naar buiten. Ze was nog klein en paste nog in het stoeltje aan het stuur. Ik stopte voor een rood stoplicht en hoorde een hoog stemmetje zeggen: ‘Godverdomme, moeten we stoppen hè?’

Ze zeggen dat kinderen het meeste leren door hun ouders na te doen. En zo had ik dus een vloekende peuter. Niet echt charmant. Vanaf die dag ben ik me daarom gaan inhouden. Ik ging over op vervelend. Of jeetje. Dat laatste kon nog net, vond ik.

En het werkte. Mijn kinderen papegaaiden mij precies. Ze riepen ‘vervelend’ en schreeuwden huilend ‘balen’. Het was niet altijd makkelijk en vaak moest ik op mijn tong bijten, maar ik was trots. Eén aspect van de opvoeding was in ieder geval geslaagd!

Maar toen ze ouder werden, werd ik slordiger en langzamerhand begon ik weer te vloeken. Het zit kennelijk diep ingebakken bij mij. Vooral God moet het vaak ontgelden – ik zeg dit met enige schaamte want erg beschaafd is het natuurlijk niet. Het scheelt wel dat ik voornamelijk vloek. Schelden doe ik bijna nooit. Daar ben ik niet zo goed in. Mijn kinderen ook niet, bleek laatst, toen J. vertelde dat een klasgenote haar had uitgemaakt voor ‘trut’. “Ik wist alleen maar bitch terug te zeggen,” klaagde ze. “Zijn er geen betere scheldwoorden?”

“Eens denken,” zei ik, “Tut?”
Nee, schudde J. haar hoofd. “Ik dacht aan hoer, maar dat is wel raar hè?”
“Niet echt geschikt voor iemand van 10,” antwoordde ik. Teef, bedacht ik, zou ook kunnen. Maar dat zei ik niet, je moet je grenzen kennen tenslotte.
“Klootzak zeg je alleen tegen een jongen,” ging J. verder, “en eikel ook.”
Ik peinsde, maar kwam alleen op trut met allerlei voorvoegsels.
“Jammer dan,” zei J., en ze ging naar boven, ik hoorde haar meezingen met de radio.

Gefrustreerd bleef ik op de bank zitten. Er moest toch wel meer zijn? Ik begon in mijn geheugen te graven. Het duurde even, ik moest flink graven, maar toen kwamen de prachtigste woorden naar boven drijven. Geweldig, dacht ik, als ik J. die bijbreng, klinken ze binnenkort op het hele schoolplein. Zo lever ik ook nog eens een bijdrage aan de Nederlandse taal!

“Ik heb het,” zei ik enthousiast tegen J., die weer beneden kwam. “De volgende keer scheld je terug met helleveeg. Of met loeder.”
J. keek me glazig aan en schudde haar hoofd.
“Duivelin dan,” probeerde ik. “Lichtekooi?”
“Aan jou heb ik ook niks,” mopperde ze, en weg was ze, naar buiten om te gaan skeeleren.

“Xantippe,” riep ik nog vanuit de deuropening. Maar ze was al weggeskeelerd. Te laat, dacht ik teleurgesteld. Ik had er eerder mee moeten beginnen. Ze is nu te oud om mij nog na te papegaaien.

Geef een reactie

Laatste reacties (14)