733
18

Econoom & Bedrijfsadviseur

Ad Broere, van huis uit econoom, is al meer dan 30 jaar actief in het bedrijfsleven. Als oud bankier, zelfstandig gevestigd bedrijfsadviseur, en docent/ontwikkelaar van leergangen bij diverse Business Schools, weet hij als geen ander zijn licht te laten schijnen op de sterke en zwakke plekken in de economie.

Pensioenen op de tocht

De AOW-regeling is niet het grootste probleem. De werkenden moeten de AOW opbrengen voor de pensioengerechtigden. Die basis is wankel

20 september 2011 De rook van het achterhoedegevecht, dat is gestreden tussen de vakbonden onderling en met Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Henk Kamp is opgetrokken. Op wat correcties na op de eerdere overeenkomst is het pensioenakkoord nu definitief.

Op 10 juni werd tussen de sociale partners dit pensioenakkoord gesloten. Het akkoord betreft zowel de AOW als aanvullende pensioenen. De AOW gerechtigde leeftijd gaat omhoog tot 66 jaar in 2020 en tot 67 jaar in 2025. Tegen de achtergrond van de statistisch langere levensverwachting lijkt deze verhoging niet onlogisch. De gedachte die aan het akkoord ten grondslag ligt om het pensioenstelsel betaalbaar te houden lijkt ook redelijk. Hoewel in de recente onderhandeling hierop de nadruk heeft gelegen, is de regeling rond de AOW niet het grootste probleem, tenminste, zolang de overheid in staat is om aan haar verplichtingen te voldoen. Of dat het geval is, dat valt nog te bezien, want de AOW is gebaseerd op het omslagstelsel. Dit betekent dat er, anders dan met de aanvullende pensioenen het geval is, niet wordt gespaard voor de AOW. De werkenden moeten de AOW opbrengen voor de pensioengerechtigden. Die basis is wankel, omdat de Nederlandse bevolking aan het vergrijzen is en ook omdat de ontwikkelingen met betrekking tot de kwalitatieve en dus beter betaalde werkgelegenheid niet gunstig zijn.
Mijn grootste zorg is echter over de aanvullende pensioenen. Het NRC schreef hierover in juni:

De aanvullende pensioenen volgen de AOW als het gaat om langer werken. Dus tot 66 vanaf 2020 en mogelijk tot 67 vanaf 2025. De huidige ‘harde’ toezegging van de hoogte van het pensioen maakt plaats voor een zachte toezegging. De pensioengerechtigde moet rekening houden met ‘verrassingen’ want het succes van de beleggingsmix van het pensioenfonds wordt bepalend. Die kan meevallen of tegenvallen. De beleggingsmix wordt bepaald door het pensioenfonds zelf in onderhandelingen met de sociale partners. Werknemers worden niet meer gedwongen tot herstelbetalingen. Ook zijn premies niet langer een instrument om de pensioenfondsen op peil te houden. In het nieuwe akkoord blijven de premies stabiel, zowel voor werknemers als voor werkgevers. De afgelopen jaren zijn de premiers regelmatig verhoogd om de dekkingsgraad van de fonds te steunen.

Het gaat om de wijziging van een harde naar zachte toezegging. Het risico wordt verschoven van pensioenfondsen en ondernemingen naar de werknemers. Gaat het goed met banken en beurzen dan gaat het goed met de aanvullende pensioenen. Maar het omgekeerde is ook waar. Er bestaat dus een mogelijkheid dat de premies, die u jarenlang hebt ingelegd in rook zijn verdwenen, verloren gegaan in het grote casino. Door de aanvullende pensioenen te koppelen aan het wel en wee van de beurzen toont de overheid aan dat men gewoon niet in staat is zijn burgers te beschermen tegen de macht van grote speculanten, vooral de hedgefunds, die met hun nanotrading en derivaten steeds weer opnieuw de aan regels gebonden institutionele beleggers, in het bijzonder de pensioenfondsen, het nakijken geven.

Een extra complicatie is, dat bedrijven eerder dan voorheen financiële tegenvallers op hun pensioenreserve moeten opnemen in het eigen vermogen. En dat vinden de bestuurders van deze ondernemingen niet leuk, omdat de aandeelhouders een minder gunstig plaatje krijgen voorgeschoteld. Dit versterkt de tendens bij bedrijven om over te stappen op de beschikbare premiemethode, die voor pensioengerechtigden zeer ongunstig is als het economisch slecht gaat. Het FD (20 september 2011) schrijft hierover:

Volgens de nieuwe regels moet echter alles direct worden verwerkt in het eigen vermogen, waardoor dat veel meer kan gaan schommelen. Zo wordt de trend onder bedrijven versterkt om de pensioenregeling om te zetten naar een regeling zonder garanties. Bij deze beschikbarepremieregelingen hebben tegenvallers bij het fonds geen consequenties voor de boekhouding van het moederbedrijf. Martijn Vos van Ortec Finance denkt ook dat de trend om over te stappen naar beschikbarepremieregelingen door zal zetten. ‘Het zullen echter wel collectieve regelingen blijven en dus niet individueel. Werknemers delen dus wel samen de risico’s.

Er is voorafgaand aan het pensioenakkoord vaak gediscussieerd over de dekkingsgraad. Wat is dekkingsgraad? Het is de huidige waarde van alle beleggingen van een pensioenfonds gedeeld door de huidige waarde van alle toekomstige pensioenverplichtingen van hetzelfde pensioenfonds. De dekkingsgraad moest minimaal gelijk zijn aan 100 procent. Meer dan 100 procent dekkingsgraad betekent dat er een buffer is, minder dan 100 procent een onderdekking. ‘Slecht bij kas zitten’ is niet hetzelfde als een slechte dekkingsgraad hebben. De Nederlandse pensioenfondsen zitten niet slecht bij kas. Ze behoren tot de rijkste fondsen van de wereld. De onrust die vorig jaar is ontstaan, ging erover dat de pensioenfondsen niet aan de toekomstige verplichtingen zouden kunnen voldoen. In welke mate niet en vanaf is niet duidelijk gemaakt, maar het was mijns inziens wel de directe aanleiding om aan het stelsel te gaan sleutelen.

Om aan die toekomstige verplichtingen te kunnen blijven voldoen hebben pensioenfondsen in de afgelopen decennia grotere risico’s genomen, door meer te gaan beleggen in aandelen, tot soms meer dan 50 procent van de portefeuille. In deze trend is nog niet zo lang geleden een verandering gekomen. Er werd weer in hogere mate belegd in ‘risicoarme’ investeringen zoals staatsleningen. De grote problemen rond de staatsschulden van Griekenland, Spanje, Portugal en Ierland hebben echter bewezen, dat ook deze ‘veilige’ beleggingen niet echt safe meer kunnen worden genoemd. Behalve dat het risico met staatsleningen in feite niet minder is dan dat van beleggingen in aandelen,  is er ook nog sprake van een lager rendement of opbrengst. Minder rendement betekent minder geld om aan de verplichtingen te kunnen voldoen. Of het nu gaat om aandelen of om obligaties en leningen, een ding is zeker. Het lot van de pensioenfondsen is verbonden met het lot van het huidige monetaire systeem. Als dat gaat instorten, dan houdt alles op. Ook de pensioenbetalingen.

De mate waarin een pensioenfonds aan zijn toekomstige verplichtingen kan voldoen, wordt gemeten naar de waarde van de beleggingen van nu. In de huidige situatie is er sprake van een lage rente op leningen en spaartegoeden. Aandelen zijn risicovol en de koersen ontwikkelen zich niet gunstig. Hierdoor ontstaat een scheef beeld. De ‘zekerheid’ van de toekomstige verplichtingen wordt afgezet tegen de onzekere en wankele financiële markt omstandigheden van dit moment. Daardoor is de dekkingsgraad “kwetsbaar”. Een comfortabel ogende dekkingsgraad kan door een paar slechte dagen op de aandelenbeurs, of door een daling van de kapitaalmarktrente, sterk dalen. Daarom was het werken met “dekkingsgraad’ een globale en discutabele graadmeter voor de werkelijke financiële draagkracht van een pensioenfonds.

We leven in een land van boekhouders, die wel de toekomstige (hoge) lasten als vaststaand gegeven aannemen en de toekomstige inkomsten slechts baseren op dat wat op dit moment “vast” staat. Niets staat vast. In 2007 hadden de gezamenlijke pensioenfondsen nog een dekkingsgraad van 144%, wat toen als zeer comfortabel werd gezien. Een jaar later sloeg de crisis toe. Nu zijn er veel pensioenfondsen met een dekkingsgraad beneden 100%, dus met een onderdekking. Wie kan met zekerheid zeggen hoe de wereld er over 5 laat staan 10 of 20 jaar uitziet? Kennelijk hebben de ontwerpers van het pensioenakkoord dit ook ingezien. De bespiegelingen over de dekkingsgraad kunnen de pensioenfondsen door het akkoord laten varen. Het risico ligt immers nu bij de verzekerde.

HET IS UW PENSIOENGELD! Denkt u daar eens over na. Zeker nu de overheid de kwestie van aanvullende pensioenen praktisch gesproken over laat aan werkgevers en werknemers kunt u als verzekerde eisen dat de beschikbare middelen niet langer in het grote casino worden belegd, waar een voortdurende afroming plaatsvindt door de groot speculanten met hun veelheid van ‘financiele producten’ waarmee ze landen als IJsland, Ierland en Griekenland naar de afgrond drijven. 

U kunt ervoor kiezen dat uw premies worden belegd in zaken waarin u meer vertrouwen hebt. Bijvoorbeeld in projecten, die gericht zijn op het welzijn van planeet, mens, plant en dier. En in mensen en (kleinere) bedrijven die zich daarvoor willen inzetten. Dit levert rendement op de lange termijn. Een kwestie van geduld oefenen, dus. En dat is een eigenschap die op de huidige financiële markten buitengewoon zeldzaam is, omdat vrijwel alles is gericht op de snelle winst.  En beleggen in de toekomst van aarde en mensheid wordt in meer dan financiële winst uitbetaald.  De sociale winstgevendheid zal minstens zo veel genoegen geven als uitsluitend het geld.

Casper van Ewijk, adjunct directeur Centraal Planbureau  in Buitenhof op 12 juni 2011:

“We dachten zekerheid te hebben met onze pensioenen, maar dat blijkt niet zo te zijn.

In normaal Nederlands: Pensioenfondsen hebben in de afgelopen decennia een langjarig beleid gevoerd, dat was gespeend van een duidelijke visie op de toekomst.

“Pensioenfondsen hebben belegd in aandelen, wat gemiddeld een hoger rendement heeft opgeleverd, maar waaraan wel risico’s blijken te zitten.

In normaal Nederlands: Pensioenfondsen hebben gegokt met ons geld, zwaar verloren en houden ons nu de rekening voor.

“De financiële buffers die pensioenfondsen aanhouden gaan naar beneden, worden lager dan de huidige 25%.

In normaal Nederlands: We gaan potverteren om de lopende afspraken zoveel als mogelijk te kunnen nakomen, dit ten laste van vooral de jongere generatie.

“De rekenrente wordt flexibel.

In normaal Nederlands: Als het misgaat met banken en beurzen, dan zitten wij met z’n allen met de brokken. De overheid en het bedrijfsleven zullen eventuele tekorten niet suppleren.

Dit artikel verscheen eerder op de weblog van Ad Broere. Broere is econoom en auteur van Een Menselijke Economie en Ending the Global Casino?


Laatste publicatie van Ad Broere

  • Geld komt uit het niets

    De financiële goocheltrucs ontmaskerd

    2012


Geef een reactie

Laatste reacties (18)