1.718
84

Oud-PvdA-leider

Job Cohen (Haarlem 1947) heeft in Groningen rechten gestudeerd. Na zijn studie heeft hij eerst tien jaar in Leiden gewerkt, waarna hij in 1981 vertrok naar de Universiteit Maastricht. Daar werd hij eerst hoogleraar en later Rector Magnificus. In 1993 werd hij staatssecretaris van Onderwijs in het kabinet Lubbers II. Hij keerde vervolgens weer terug naar Maastricht om in 1998 opnieuw staatssecretaris te worden, nu van Justitie. In 2001 werd hij burgemeester van Amsterdam, in 2010 werd partijleider en fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer. Op 20 februari 2012 legde hij zijn functie neer.

Sociaaldemocraten moeten publieke moraal nieuw elan geven

Het gaat niet samen: werken in de publieke sector, werken voor je medeburgers en dan exorbitant veel verdienen

Dit is een bijzondere avond. Je zou denken dat sociaal-democraten aan de lopende band debatteren over de publieke sector. Want wat is nu sociaal-democratischer dan ons inzetten voor de verzorgingsstaat – voor die voorzieningen die we samen opgebouwd hebben in het belang van ons allen? Waar zijn sociaal-democraten nu meer bij betrokken dan bij de vraag of onze kinderen wel het beste onderwijs krijgen, of zij, ook als ze een achterstand hebben, wel een eerlijke kans krijgen? Of de vraag hoe we ervoor zorgen dat onze wijken veilig zijn? en iedereen een goed dak boven zijn hoofd heeft? Dat er optimale zorg is, ongeacht je inkomen?

En inderdaad, we debatteren dagelijks over de publieke sector en daar gaan we zeker mee door. In de gemeenteraad, in de Tweede Kamer, de Eerste Kamer en in de partij – en ik kan me menig partijdebat heugen waar we de toekomst van de verzorgingsstaat en daarmee ook van de publieke sector als motor daarvan, onder de loupe namen en nemen. Waar we ons afvragen hoe we de zaak nòg beter kunnen maken, al dan niet met een systeemwijziging. Maar vanavond is een bijzondere avond, want daar gaat het vanavond niet over.

Vanavond gaat het over onze publieke sector die onder druk staat, meer dan ooit, door een aantal ontwikkelingen die nu samen komen.

Er is veel kritiek op de overheid. Je betaalt belasting, maar krijg je daar wel voldoende voor terug? Wordt het geld wel goed besteed? En doen de mensen die méér krijgen eigenlijk wel genoeg hun best, bijvoorbeeld om zelf werk te vinden? Worden alle rechten wel geschraagd door plichten?

Dat vertrouwen staat onder druk. Het vertrouwen dat de publieke sector van en voor jou is, en dat als jij er een beroep op doet je niet verloren raakt in een wirwar van bureaucratie, dat je niet als een nummer behandeld wordt, je niet verdwaald raakt in een mega-instelling waar je geen grip op krijgt.

En daarnaast: de staatsfinanciën staan onder druk. We hebben net een crisis achter de rug die ons de nodige inkomsten gekost heeft, en de volgende crisis staat al weervoor de deur. We kunnen niet op dezelfde voet verder leven, we moeten keuzes maken.

En ondertussen zitten we met de meest rechtse regering sinds de tweede wereld oorlog die maar één ding wil. Bezuinigen op de publieke sector, op onze gemeenschappelijke voorzieningen. Wie dacht dat het tijdperk van Reagan en Thatcher voorbij was komt bedrogen uit. Ja, die ideologie is failliet, en heeft ons een hoop ellende gebracht. Maar een nieuwe adept is opgestaan, en hij heet Mark Rutte. Mensen maken zich meer dan ooit zorgen over de samenleving, en het antwoord van de Rutte-liberalen is: minder overheid, weg met de samenleving. Terug naar de jaren ’80, en vandaar naar de jaren ’50 en wie weet verder terug.

Kijk, op zo’n moment moeten wij ons allereerst afvragen wat echt van waarde is. Om te beginnen met het loslaten van onze reflex om te verdedigen wat we hebben. Serieus aan de orde stellen wat niet goed is, wat niet goed gaat. En als iets niet goed gaat, nadenken over de vraag: wat dan? Weg ermee? – de standaard-reactie van Rutte – of: hoe kan het beter?

Het is die stap vooruit die ons sociaal-democraten altijd moet drijven als we praten over de publieke zaak. Niet het behoud van wat er is, maar het geloof dat de toekomstige generatie het beter moet en beter kan hebben dan de vorige. Het is die drive die ervoor zorgt dat wij ons zo verbonden voelen met de publieke zaak. Dat verheffing en emancipatie voor grote groepen dichterbij gebracht wordt wanneer we de handen ineenslaan: de overheid, het maatschappelijk middenveld en burgers onderling.

Dat geloof zit ons in het bloed. Wij stonden daarom aan de wieg van de verzorgingsstaat en wij zijn trots op haar successen: op het onderwijs, op de zorg, op de volkshuisvesting, dat dubbeltjes werkelijk kwartjes kunnen worden.

Maar vanavond zitten we hier niet om onze successen te vieren. Vanavond gaat het over de schaduwkanten van de verzorgingstaat. Want die zijn er, en wij zijn de eersten die daar antwoorden op moeten formuleren – juist om haar te behouden, aan te passen en te verbeteren. Want het piept en het kraakt in de publieke sector. Zoals in de ten geleide van het voorliggende stuk al wordt geschreven: “Het huis is jaar in jaar uit verbouwd, bijgebouwd, onderverhuurd en opnieuw ingericht (…) Het is tijd voor een grondige renovatie.”

We kennen allemaal de voorbeelden: De stopwatch-mentaliteit in verzorgingstehuizen.

Het gevoel van onmacht van burgers, die van kastje naar de muur gestuurd worden, het gevoel hebben nergens bij de overheid met hun verhalen, klachten of ergernissen terecht te kunnen.

De oneindige stroom van fusies, die in het onderwijs hebben geleid tot anonieme leerfabrieken, met colleges van bestuur en raden van toezicht die nauwelijks nog enige feeling hebben met wat er in de klas gebeurt.

De grootheidswaan van sommige woningbouwcorporaties, die ver weg van hun kerndoelstelling – goede woningen voor mensen met een klein inkomen – hun geld investeerden in risicovolle, geldverslindende prestige projecten.

Al deze voorbeelden zijn de nagel aan de doodskist van het vertrouwen van mij en van u in het functioneren van de publieke sector. Het zijn maar voorbeelden, maar iedereen snapt wat ik bedoel. Het is de aantasting van dit vertrouwen dat wij moeten keren. Juist wij, omdat die publieke sector voor het telkens opnieuw realiseren van onze idealen zo belangrijk is..

Dát is het onderwerp van vanavond. Maar als u denkt dat deze partijvisie een nieuwe blauwdruk voor de publieke sector levert, dan moet ik u teleurstellen. Want dat levert deze visie nu net niet. Géén discussie over systemen of over het wijzigen van systemen. Nee, het gaat over de mensen die de publieke sector maken en gebruiken. De publieke sector is mensenwerk. Wat verwachten we van de professionals, wat kunnen zij beter doen? Wat verwachten we van ambtenaren in Den Haag? Dat zij afgerekend worden op prestaties? Of ook dat zij nieuwsgierig zijn en gericht op samenwerking? Dat het niet alleen maar gaat om het halen van bezuinigingstargets – maar ook om kwaliteit? Wat verwachten we van de mensen die gebruik maken van de publieke sector? Van de bestuurders, van de politici? Het gaat over onze omgang met de publieke sector, het gaat over ons.

Hoe kunnen we eraan bijdragen dat mensen niet meer van het kastje naar de muur worden gestuurd? Dat onderdelen van de publieke sector beter samenwerken, dat mensen in de publieke sector hun verantwoordelijkheid nemen en dus niet onmiddellijk worden afgerekend als er iets mis gaat? Dat er dan niet onmiddellijk nieuwe regels worden uitgevaardigd opdat wat er mis ging, nooit meer mis kan gaan? Terwijl we weten dat dat niet echt werkt? Zoals een ondernemer in Deventer, die genomineerd was voor de beste ondernemer van het jaar, eergisteren tegen me zei toen hij het had over al die regels waaraan hij moest voldoen: een ons fatsoen is beter dan tien kilo regels. Kijk, ook daar gaat onze partijvisie over. Over de publieke moraal, en hoe daarmee om te gaan.
Kijk, dat is voor ons sociaal-democraten een belangrijk punt. Als de publieke sector voor ons zo belangrijk is – en dat is-ie -, en als wij vinden dat die sober moet zijn ingericht, van hoge kwaliteit moet zijn en dienstbaar aan ons burgers, dan is het ook, in goed Nederlands: practice what you preach. Vóórleven wat wij zelf van de publieke sector verlangen. De notitie die u vanavond zal bespreken staat vol met adviezen die wij kunnen vóórleven zonder systeemveranderingen. Twee onderwerpen wil ik hierbij extra aandacht geven.

Ten eerste de topbeloningen in de publieke en semi-publieke sector, die als een angel in ons vlees steken. We kennen de voorbeelden. De bestuursvoorzitter van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers, de nieuwe directeur van het Amsterdamse vervoersbedrijf GVB, bestuurders van ziekenhuizen en andere zorginstellingen, bestuurders in het onderwijs, in de corporatiesector. Meer dan eens verdienen ze meer dan de minister-president van ons land, soms veel meer. Meer dan eens zijn ze in de afgelopen jaren in het nieuws gekomen door hun exorbitante beloning, door een volslagen gebrek aan realiteitszin, aan inlevingsvermogen. Door niet te willen begrijpen waarom juist dit soort voorbeelden de publieke zaak en het geloof daarin, zo veel kwaad doet. Voorbeelden die ook ons als partij zoveel kwaad doen, en terecht zoveel kwaad doen. Want inderdaad: practice what you preach.

Het gaat niet samen: werken in de publieke sector, werken voor je medeburgers en dan exorbitant veel verdienen. Ik kan me amper voorstellen dat welke bestuurder in welke semipublieke en publieke functie dan ook meer moet verdienen dan de Balkenende-norm voorschrijft. Het gaat er gewoon niet bij mij in.

Het roer moet daarom om. Juist sociaal-democraten zullen de publieke moraal nieuw elan moeten geven. Juist sociaal-democraten zullen het belang van het voorleven van deze publieke moraal moeten inzien. Want als wij het niet doen, wie dan wel? Er staat veel op het spel: onze geloofwaardigheid, het aanzien van de publieke zaak, en dus: het geloof van mensen zoals u, of uw buurman, uw buurvrouw in de mogelijkheden die we samen te bieden hebben: samen, in de publieke zaak, die dienstbaar moet zijn, van hoge kwaliteit, sober en dichtbij.

Een tweede punt is dat wij wel heel veel een bestuurderspartij zijn geworden. Begrijp me niet verkeerd: goede bestuurders zijn er volop te vinden in onze partij en zonder hen zouden we niet zijn wie we zijn en niet kunnen wat we kunnen. Maar dat betekent nog niet dat de bestuurdersmentaliteit – de vraag of iets kán in plaats van wat we vínden – in de partij voorop moet staan. Jan de Koning zei ooit: als het niet kan zoals het moet, moet het maar zoals het kan. Kijk, dat is de goede volgorde: eerst kijken wat je wil, dan pas hoe het kan. Zo ontstaat er ruimte om te spreken vanuit onze maatschappelijke ambitie. Oftewel: vanuit idealen. Zonder idealen geen politiek! Het gaat erom wat we van waarde vinden en wat we willen – en daarna gaan we kijken hóe we dat kunnen bereiken. Niet andersom!

Het gaat om een overheid van en voor de burger, en dus gaat het om de publieke moraal. Een overheid die dicht bij de mensen staat, het gaat om nabijheid. Met deze publieke moraal kunnen we zo veel veranderen, kunnen we verantwoordelijkheid nemen, sober zijn, maatwerk leveren, niemand van het kastje naar de muur sturen. Als we die moraal gaan voorleven, dan hebben we simpelweg veel minder regels nodig. Ik herhaal het nog maar een keer: een ons fatsoen is beter dan tien kilo regels!

De sociaal-democratie, ik begon ermee, staat aan de basis van onze verzorgingsstaat en daar zijn we trots op. En voor ons is de publieke sector essentieel voor die verzorgingsstaat. Daarom is de renovatie van de publieke sector zo belangrijk. Makkelijk is het niet, noodzakelijk wel. Daarom deze visie, daarom deze discussie, zodat wij met realiteitszin, maar ook met elan onze oude idealen in een nieuwe tijd in de praktijk brengen.

Deze speech gaf Jon Cohen bij de opening van de Publieke Sector bijeenkomst in Rotterdam op 10 oktober 2011.

Geef een reactie

Laatste reacties (84)