837
25

Econoom

Paul Teule studeerde economie en filosofie in Amsterdam. Hij is docent politieke economie aan de Universiteit van Amsterdam en werkt aan een proefschrift over duurzame economische groei. Daarnaast doet hij freelance onderzoek op het gebied van economie, duurzaamheid en de Europese Unie.

Vrijheid is ook een vermogen

We moeten onze definitie van vrijheid repareren

Op 5 mei vieren we dat we vrij zijn en staan we stil bij het belang en de betekenis van onze vrijheid. Het is goed dat we minstens één keer per jaar collectief mentaal onderhoud plegen aan een belangrijke, zo niet de belangrijkste waarde van Nederland.

Mijn hoop is dat we in dat onderhoud ook onze definitie van vrijheid repareren. We interpreteren vrijheid namelijk te ‘negatief’, als iets dat bestaat bij de gratie van deafwezigheid van dwang, onderdrukking en belemmering. Omdat onze gedachten vandaag uitgaan naar de bevrijding van de bezetter, is dat heel begrijpelijk. Maar vrijheid heeft ook een ‘positieve’ kant, en is in die zin iets dat toeneemt naarmate er meer capaciteiten in ons aanwezig zijn die maken dat we ook daadwerkelijk onze doelen kunnen verwezenlijken. Negatieve vrijheid gaat over mogen, positieve vrijheid over vermogen.

Dit onderscheid – bekend van de Russisch-Britse liberaal Isaiah Berlin (1909-1997), maar hij was zeker niet de eerste – wordt naar mijn idee te weinig gemaakt ten aanzien van de Nederlandse vrijheden. En dat terwijl het relevanter en nuttiger is dan ooit. Vrijheid als vermogen is soms een beter perspectief dan vrijheid als mogen.

In Nederland mag er heel veel wat betreft seks, drugs en alcohol, maar ook qua meningsuiting, levensbeschouwing en cultuur of op medisch-ethisch gebied. Maar sommige van onze vermaarde vrijheden lijken ‘door te schieten’: misstanden in de prostitutie, comazuipen onder jongeren, scheldpartijen op internet en pesterige journalisten, geweld tegen gezagsdragers, integratieproblemen. Ook het idee van de vrije markt lijkt failliet.

Als je denkt vanuit negatieve vrijheid dan is de diagnose dat er blijkbaar teveel mag en dat Nederlanders zich teveel vrijheid permitteren. Nieuwe regels, of opnieuw ingevoerde regels, zijn dan het medicijn en je ziet hoe dit steeds meer wordt toegediend: leeftijdsgrenzen gaan omhoog (alcohol, prostitutie), coffeeshopbeleid is aangescherpt, de vrije markt wordt weer beteugeld (financiële sector, flexwerk), internetfora zijn huisregels gaan hanteren, en ook aan immigranten worden nieuwe, culturele huisregels gesteld (‘Asscher’s contract’).

Veel van die nieuwe regels zijn zinvol, maar het is altijd de vraag of ze werken. En er zijn vrijheden die zich überhaupt niet zo makkelijk terug in hun hok laten te duwen. Soms is het daarom beter om de vraag of iets mag te omzeilen of aan te vullen door het over de boeg van de positieve vrijheid te gooien.

Een voorbeeld. Alle discussies over de vrijheid van meningsuiting gaan over de vraag wie wat wel en niet mag zeggen. Mag Geert Wilders de islam een fascistische ideologie noemen? Mag je de holocaust ontkennen? Het gaat altijd over de juridische en ethische ‘grenzen’ van onze meningsuiting. Het dilemma: hoe wijder de grens hoe pluriformer en informatierijker het debat, maar ook hoe harder en, voor sommigen, ontoegankelijker het debat. Praktisch bezwaren: het (laten) verbieden van uitlatingen kan averechts werken en is bovendien duur. Dus wat is wijsheid?

Ik denk dat het goed is om deze hele discussie over ‘de grens’ eens een keer van tafel te vegen en de vraag te stellen: hebben we eigenlijk wel het vermogen om onze mening te uiten? Lukt het ons om het doel dat we met meningsuiting beogen ook daadwerkelijk te realiseren? Er zijn genoeg mensen die met hun mening ‘gewoon’ stoom af willen blazen, maar ik weet ook zeker dat heel veel meningsuiters geïnteresseerd zijn in een onderwerp en graag een door anderen erkende bijdrage willen leveren. Hoe bereik je dat dan? Hoe vorm je eigenlijk een mening? Waar haal je betrouwbare informatie vandaan? In welk vorm giet je die mening het best, wat voor taalgebruik hoort daarbij? En hoe haak je goed in op een discussie, zodat je mening ook echt wordt opgepikt?

Natuurlijk blijft negatieve vrijheid van het grootste belang omdat het de randvoorwaarde is voor positieve vrijheid. Wie niks mag publiceren heeft niets aan zijn welgevormde mening. Maar zonder het vermogen om je mening te kunnen uiten is die vrijheid zinloos. Want wat heb je er aan om alles te mogen zeggen, als je, bijvoorbeeld, de taal niet machtig bent om anderen te bereiken?

Je zou ten aanzien van de vrije markt eenzelfde punt kunnen maken: de discussie over de financiële markt gaat over hoe vrij bankiers en consumenten mogen zijn. Maar je zou eigenlijk ook moeten kijken naar het vermogen van de consument om zich op de markt te kunnen handhaven. Er zijn naar schatting 2,5 miljoen Nederlanders die je ‘financieel laconiek’, of zelfs ‘financieel analfabeet’ kunt noemen. Heel veel Nederlanders kunnen elementaire vragen over obligaties, aandelen en risico’s niet goed beantwoorden. En 17 procent van de Nederlanders snapt niet eens dat huizenprijzen ook kunnen dalen! Ook hier is dus de vraag: wat heb je eraan dat je vrij bent om je op een markt te begeven als je niet weet waar je mee bezig bent?

Het zijn maar twee voorbeelden. Er zijn tal van andere discussies over onze vrijheden die met een ‘positiever’ vrijheidsbegrip zouden zijn gediend. Van de vrijheid om orgaandonor te zijn, de vrijheid om drugs te gebruiken of om de prostitutie in te gaan, tot onze beleidsvrijheid ten opzichte van de EU.

Vrijheid is mogen én vermogen en Nederland staat voor de taak om daar de balans in te vinden.

Paul Teule is docent politieke economie aan UvA en werkt momenteel aan een boek over het belang van het ‘positieve vrijheid’-idee voor de Nederlandse vrijheden.

Geef een reactie

Laatste reacties (25)