2.495
59

Onderzoeker fac. Rechtsgeleerdheid EUR

Wouter de Been is sinds 2008 postdoctoraal onderzoeker aan de Faculteit der rechtsgeleerdheid van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Sinds 2009 werkt hij hier aan een onderzoeksproject over conflicten in de multireligieuze samenleving. In dit project wordt geprobeerd tot een meer dynamische en open interpretatie te komen van klassieke idealen als neutraliteit, scheiding van de kerk en staat, godsdienstvrijheid, gelijkheid en vrijheid van meningsuiting.

Vroeger hadden we tenminste nog een toekomst

Angstige burgers willen vooral beschermen wat ze nog hebben en worden juist conservatief. Ze kiezen daarom vaak voor rechtse politici die met het verleden dwepen

In een opmerkelijk opiniestuk in de NRC betoogt historicus Eelco Runia dat we de nostalgie naar een overzichtelijke en zorgeloze tijd die bij veel populistische stromingen in het Westen aanwezig is niet moeten verwarren met een wens letterlijk naar eerdere omstandigheden terug te keren. Volgens Runia moeten we de opkomende nostalgie vooral zien als wens om terug te keren naar een toestand waarin we nog opties hadden en het idee dat we zelf onze toekomst konden vormgeven. “Nostalgie,” schrijft Runia, “is verlangen naar een tijd dat alles nog mogelijk was, naar een tijd dat we de toekomst die voor ons lag nog niet hadden volgeleefd met wat inmiddels ons verleden is.” In de kern schuilt in nostalgie een zucht naar controle, naar de mogelijkheid onze toekomst zelf te dicteren.

Veel burgers in het westen zijn volgens Runia dat idee van controle kwijtgeraakt. De geschiedenis is voor hen geen weg omhoog meer naar een mooiere toekomst waarin iedereen het steeds beter krijgt. Ze voelen zich eerder een speelbal van de geschiedenis. Hun bestaan wordt steeds onzekerder en de toekomst lijkt ook voor hun kinderen weinig goeds te beloven. Mensen die hard werken en zich aan de regels houden, plukken daar niet meer automatisch de vruchten van. Verlies van sociale status is voor veel burgers vandaag een al te reële mogelijkheid.

Conservatisme
Deze angst om op de sociale ladder naar beneden te tuimelen leidt paradoxaal genoeg niet tot de omarming van een progressief alternatief dat met een andere inrichting van de samenleving en de economie een toekomst met nieuwe zekerheden wil bieden. Angstige burgers willen vooral beschermen wat ze nog hebben en worden juist conservatief. Ze kiezen daarom vaak voor rechtse politici die met het verleden dwepen, ook al biedt dat welbeschouwd weinig perspectief voor een verbetering van hun onzekere situatie.

Runia’s analyse geeft een verhelderend beeld van wat je misschien de psychologie van het populisme zou kunnen noemen. Toch is het niet helemaal toereikend. De politieke voorkeuren en intuïties van burgers hoeven natuurlijk geen sluitend ideologisch systeem te zijn, ― dat zijn de mijne ook niet en ik houd me beroepsmatig met ze bezig, ― maar er zit wel een enorme kloof tussen nostalgie als een verlangen naar keuzevrijheid en controle over je eigen toekomst ― het idee waar Runia mee begint ― en nostalgie als een angstig behoud van wat je nog hebt ― het idee waar hij mee eindigt. Willen de burgers weer politieke keuzevrijheid en controle over hun eigen bestaan, of willen ze juist alle ontwikkelingen bevriezen en vooral houden wat ze hebben? Ik denk inderdaad dat beide vormen van nostalgie een rol spelen, maar bij Runia wordt niet goed duidelijk waarom.

Keuzevrijheid
Laten we beginnen met de keuzevrijheid. Die is niet verdwenen omdat we de toekomst die ooit voor ons openlag hebben “volgeleefd met wat inmiddels ons verleden is.” Die is verdwenen omdat na de val van de muur alle alternatieven voor globalisering en neoliberalisme vaarwel zijn gezegd. Deze ontwikkeling wordt vaak “het einde van de ideologie” genoemd, maar was in feite de omarming van een soort onofficiële staatsideologie. Burgers in het westen werd bezworen dat er geen alternatief was voor privatisering, vermarkting, deregulering en liberalisering ― “there is no alternative” (TINA) was letterlijk de slogan van Margaret Thatcher.

Deze ideologie was zo dominant dat de keuzevrijheid van burgers jarenlang beperkt bleef tot kleine accentverschillen tussen politieke partijen in wat werd geframed als een onvermijdelijke aanpassing aan de globaliserende omstandigheden van de 21ste eeuw. Met de kredietcrisis heeft deze onofficiële staatsideologie veel van haar glans verloren, maar er zijn vooralsnog weinig werkbare alternatieven geformuleerd die de democratische besluitvorming kunnen informeren. Dat is het gat waar populisten in zijn gesprongen.

Geen adequaat alternatief
Waarom het niet lukt om voor het neoliberalisme een adequaat alternatief aan de man te brengen is een ingewikkelde vraag. Voor een deel is het politieke weerstand. Naast verliezers zijn er ook winnaars van de globalisering en in de politiek en het bestuur domineren de laatsten. Voor een deel is het de inertie van gevestigde ideeën. Voor een deel heeft het te maken met wat wel “de teloorgang van publieke intellectuelen” wordt genoemd. In de 20ste eeuw was politiek nog iets dat werd geïnformeerd door de inbreng van wetenschappers en publieke intellectuelen, mensen die de publieke zaak op een fundamenteler niveau ter discussie stelden.

Publieke intellectuelen zijn sindsdien van hun voetstuk gevallen en wetenschappers worden tegenwoordig vooral afgerekend op artikelen in wetenschappelijke bladen, waar ze esoterische discussies voeren die alleen nog door kleine groepen vakgenoten worden gelezen ― een van de zegeningen van de marktwerking in de academische wereld.

Niet romantiseren
David Brooks stelt in een recente column in de New York Times dat we de 20ste eeuw niet moeten romantiseren ― er werd toen door publieke intellectuelen ook veel malligheid en nonsens verkondigd ― maar dat we nu misschien te ver zijn doorgeschoten naar de andere kant met de marginalisering van publieke intellectuelen. Democratie heeft meer nodig dan alleen beleidsprofessionals die keurig binnen de lijntjes kleuren. Visie is dan ook geen olifant die het uitzicht belemmert, zoals Rutte beweerde. Integendeel, het is het vermogen om op een andere manier te kijken naar de manier waarop we samenleven. De politieke crises van nu vragen precies om een nieuw perspectief op dit niveau, niet om beperkte beleidsaanpassingen.

Dit brengt me bij Runia’s tweede conceptie van nostalgie: nostalgie als een angstig vasthouden aan wat je nog hebt. Dat is uiteraard een al te menselijke reactie voor burgers die hun zekerheden hebben verloren. Maar het heeft misschien ook te maken met de alternatieven die de ronde doen. De toekomst is niet meer wat hij geweest is. Bij de toekomst denken we niet meer aan helikopterauto’s, supersonische vliegtuigen en reizen naar Mars, maar aan een koolstofneutraal bestaan van minder consumptie, minder reizen, minder vlees, spaarlampen en windmolens. Dat is misschien niet een toekomst waar iedereen even enthousiast van wordt. Het is misschien zelfs een toekomst die veel mensen liever niet onder ogen willen zien.

Geef een reactie

Laatste reacties (59)