2.154
115

Eindredacteur Witteman ontdekt

Maarten van den Heuvel begon zijn journalistieke loopbaan in de redactie van de talkshow I.S.C.H.A van Ischa Meijer. Na het abrupte einde aan dat programma werkte hij ondermeer bij RUR en was hij als researcher in dienst van documentairemaakster Ireen van Ditshuyzen.

Zijn dienstverband bij de VARA begon bij het programma Barend & Witteman, eerst als redacteur, later als coördinator en kort als eindredacteur. Hij zette samen met Paul Witteman het populair wetenschappelijke programma Nieuwslicht op en werd er eindredacteur van. Vanaf het begin van Pauw & Witteman werkte Van den Heuvel er drie jaar als samensteller.

Daarna was hij eindredacteur van de televisieprogramma's 'Eigen schuld, dikke bult' en EZ, betrokken bij Joop en een van de twee eindredacteuren van het documentaire-drieluik 'Vrijheid, gelijkheid, broederschap', waar hij ook het boek 'Vrijheid, gelijkheid, broederschap. Oude waarden in nieuwe tijden' over schreef. Dat boek werd geselecteerd voor de longlist van de Socratesbeker, de prijs voor het meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek.

Momenteel is hij eindredacteur van het televisieprogramma Witteman ontdekt.

Waarom vrijheid niet ultiem is

Wellicht wordt het tijd voor een hernieuwde discussie over de grenzen aan onze vrijheid

Het aanstaande PVC-kabinet heeft als motto gekozen ‘Vrijheid en verantwoordelijkheid’. Vandaag staat de vraag centraal of Geert Wilders verantwoordelijk met één van die vrijheden is omgesprongen: de vrijheid van meningsuiting.

Een steeds luider klinkende groep vindt dat de vrijheid van meningsuiting ultiem is. Dat iedereen moet kunnen zeggen wat hij wil. Daarbij zeggen ze impliciet (en soms expliciet) dat de eventuele gevolgen van uitspraken er niet toe doen.

In mijn optiek gaan deze mensen voorbij aan een belangrijk uitgangspunt. Ultieme vrijheid bestaat niet. En ultieme vrijheid kan ook niet bestaan. Zelfs als een maatschappij geheel vrij is van opgelegde beperkende regels en iedereen zijn eigen gang gaat, zal dat betekenen dat de eigen gang van de sterkeren de vrijheid van de zwakkeren indamt. Beperkingen aan de vrijheid zijn daarmee een gegeven. De vraag is alleen: welke beperkingen zijn er en voor wie? En welke beperkingen van de vrijheid vinden we dat er moeten zijn?

Bovenstaande geldt voor alle vrijheden, ook voor de vrijheid van meningsuiting. Immers, meningen die haat zaaien kunnen opruiend werken en leiden tot gedrag dat de vrijheden van anderen drastisch inperkt. Als dominee Fred Phelps of Imam el-Moumni blijft vertellen dat homo’s vies zijn en in de hel terechtkomen, dan kan die haatboodschap ertoe leiden dat homo’s niet in alle gevallen hun leven in vrijheid kunnen leven. Velen vinden dat geen goede zaak en vinden daarom ook dat Phelps en el-Moumni om die reden moeten worden aangepakt.

In beschaafde landen vinden wij dat we die beperkingen zoveel mogelijk moeten organiseren en vastleggen in regels. Omdat we vinden dat het recht van de sterkste geen basis biedt voor een vruchtbare samenleving. In die zin is ‘verantwoordelijk omgaan met onze vrijheden’ niets anders dan ons houden aan de beperkingen die gesteld zijn aan die vrijheid, zoals vastgelegd in de wet. Elk idee van een eigen verantwoordelijkheid buiten die regels om houdt willekeur in.

In de Nederlandse wet en in internationale verdragsteksten wordt er inderdaad gewezen op de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van bepaalde uitspraken. Artikel 10 van het Europese verdrag ter bescherming van de rechten van de mens wordt gezegd: ‘Een ieder heeft recht op op vrijheid van meningsuiting’. Daarna wordt er direct op gewezen dat ‘de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt.’ Daarom is de vrijheid van meningsuiting ‘onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien.’

Die beperkingen zijn in de Nederlandse wet onder meer vastgelegd in artikel 137c  en 137d  van het wetboek van strafrecht. Daarin staat dat mensen die zich opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap strafbaar zijn. Aanzetten tot haat of discriminatie op dezelfde gronden is ook strafbaar.

Daarmee is niet gezegd dat die regels zoals ze in de wet zijn vastgelegd nog aansluiten op hoe daar in de maatschappij over wordt gedacht. Of dat de uitleg van de regels niet in de loop van de tijd kan veranderen.

Op basis van onder meer de genoemde wets- én verdragsteksten werd Hans Janmaat in de jaren ’90 van de vorige eeuw meerdere malen door de rechter veroordeeld wegens aanzetten tot haat en discriminatie (hier het uiteindelijke vonnis van de Hoge raad in 1999). Een uitspraak die in 2003 (vonnis hier)  werd bevestigd toen de partner van Janmaat, postuum probeerde een herziening van het vonnis te bewerkstelligen. Al deze uitspraken lagen in lijn met de eerdere veroordelingen van CP86 voor hetzelfde (uiteindelijke vonnis van de Hoge Raad hier)  En die veroordelingen leidden indertijd tot een verbod op de partij in 1998.

Wat waren dan de uitlatingen van Hans Janmaat en CP86 die indertijd als haatzaaiend werden veroordeeld? Janmaat werd veroordeeld voor de uitspraak: “Wij schaffen zodra wij de mogelijkheid en de macht hebben de multi-culturele samenleving af” en het feit dat die uitspraak volgens de Hoge Raad niet los kon worden gezien van bij dezelfde demonstratie gedane uitlatingen “Nederland voor de Nederlanders” en “Vol is vol’. CP86 werd ondermeer veroordeeld vanwege een tv-spot waarin volgens het vonnis het volgende werd gezegd: “hoeveel komen er dit jaar, 60.000, 70.000, 100.000, misschien?” en “en het zijn niet alleen asielzoekers die naar Nederland komen” en “er is ook nog de gezinsvorming en niet te vergeten de illegalen” en “allemaal moeten ze een uitkering, werk en een woning” en “ze worden voorgetrokken bij van alles en nog wat” en “stop de discriminatie van Nederlanders” en “begin onmiddellijk met een terugkeerbeleid”, welke uitlatingen in de vorm van gesproken commentaar worden gedaan tegen de achtergrond van gefilmde straatbeelden, terwijl op beelden voornamelijk allochtonen te zien zijn, en gefilmde beelden van vliegtuigen en treinen en beelden van allochtone personen (…) : terwijl het geheel van beelden en uitspraken wordt afgesloten met de zinsspreuk “Eigen volk eerst”

Allemaal dingen die we inmiddels veel vaker horen. Indertijd werd er bewust op gewezen dat de genoemde wetsteksten ook golden voor politici. Vandaag de dag wordt door velen benadrukt dat juist politici meer ruimte moeten krijgen. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is het daar in ieder geval niet mee eens. Het hof veroordeelde onlangs Jean-Marie Le Pen in Frankrijk, Daniel Feret in België, en Mark Norwood in Engeland in zaken waar het gaat om aanzetten tot haat.

Het is nu de vraag hoe de rechters in de zaak tegen Wilders deze jurisprudentie wegen. Zij gaan met hun uiteindelijke uitspraak een flinke bijdrage leveren aan de discussie over de grenzen aan de vrijheid van meningsuiting. Mocht Geert Wilders worden vrijgesproken dan getuigt dat volgens mij van een verschoven idee over waar die grenzen liggen. In dat geval lijkt het me zinvol dat er een grote maatschappelijke discussie komt over de vraag waar die grens nu ligt en wat we daarvan met zijn allen vinden. Ik stel voor dat het kabinet, trouw aan zijn motto, die discussie entameert. Maar tot die tijd kunt u er hieronder gerust een voorschot op nemen.


Laatste publicatie van MaartenvandenHeuvel

  • Vrijheid, gelijkheid, broederschap

    Oude waarden in nieuwe tijden

    2014


Geef een reactie

Laatste reacties (115)