310
1

Blogger

Ik ben een 27 jarige Rotterdammer, niet afgestudeerd en geen opleiding volgend op het moment. Ik ben gestopt met studeren, omdat ik mij volledig wilde richten op het schrijven. Ik ben zeer geïnteresseerd in het maatschappelijk debat en volg dit al jaren op de voet en geloof dat wij, als wij willen, ook daadwerkelijk iets kunnen veranderen. Een beetje naïef dus ook.

Wachtkamerblues

De wachtkamer is een vreemde plek die nooit zal wennen

Een vrouw heeft zojuist te horen gekregen dat er borstkanker is geconstateerd. De vrouw, vergezeld door haar zoon en dochter, neemt in de wachtkamer plaats naast haar kinderen en deelt met hen het vreselijke nieuws. De zoon staat op en zegt: “Ik heb honger, willen jullie een broodje?” en vertrekt met zijn zus in zijn kielzog naar de cafetaria in het ziekenhuis. Ze komen beide terug met een broodje bal gehakt, de moeder heeft tussen alle tranen door nog geen trek gekregen.

Een forse man is boos. Hij vloekt aan een stuk door. Hij slaat tegen de liftdeuren. Zijn handen trillen, hij komt bedreigend over. Niemand die iets durft te zeggen in de lift. Hij gaat achter in de lift staan, twee etages lang verlaat het ene na het andere vloekwoord zijn mond. Dan is hij stil. De ogen zijn, hoe onopvallend de andere aanwezige in de lift dit ook probeerden, op hem gericht en hij merkt dit. Hij kijkt ons aan, excuseert zich en geeft aan dat zijn kleinkind het misschien niet zal redden. Iemand in de lift zegt met een zachte stem dat het vreselijk is. De tranen rollen over zijn wangen. Hij maakt een piepend snik geluid. Hij bijt op zijn vinger.

Een vrouw van middelbare leeftijd, opvallend gekleurd- en schaars gekleed, neemt samen met haar man plaats in de wachtkamer. Ze zijn mooi zon gebruind en hebben teenslippers aan. Zij draagt Birckenstocks, hij draagt teenslippers van Replay. Ze zijn al snel aan de beurt. Gaan lachend met de dokter mee, kennelijk met de gedachte zo weer buiten te staan. Twintig minuten later nemen ze alweer plaats in de wachtkamer. Haar mascara is uitgelopen. Ze heeft het koud. Haar man gooit zijn armen om haar heen, drukt zijn vrouw tegen zich aan en streelt haar armen in een poging zijn vrouw te troosten.

Een man zit samen met zijn vrouw in de wachtkamer van een ziekenhuis. Hij spreekt, de vrouw staart naar haar kop koffie voor haar. Ze lijkt dit niet te zien, haar gedachten zijn elders. Verdriet, het is zichtbaar.

Een jonge dame staat tegenover mij in de omhooggaande lift. Ik moet naar de derde etage, waar zij heen moet weet ik niet. Haar aankijkend zie ik dat ze op instorten staat. Haar ogen zijn rood en tranen hopen zich op. Ik wil vragen of het gaat, maar doe dit niet.

Het zijn de droeve momenten, bij lange na niet alle, die ik meekreeg in ziekenhuizen in Rotterdam op momenten dat ik een dierbare vergezelde of zelf in het ziekenhuis moest zijn. De wachtkamer is dé ruimte waar verdriet én vreugde, soms tegelijkertijd, of je dit nu wil of niet met je gedeeld zal worden. Of dit nu de vreugde van een vrij van kanker verklaarde is of dit het verdriet van iemand is die te horen heeft gekregen dat er borstkanker is geconstateerd.

Hoe om te gaan met al deze indrukken? Ik praatte hierover met artsen en verplegers. Hoe om te gaan met zoveel en zulk divers leed? Het is een moeilijk te beantwoorden vraag. Iedereen gaat er op zijn of haar manier mee om. Ik probeer mij altijd als het even kan af te sluiten door mijn oordopjes in te doen en naar muziek te luisteren.

Toch, leed is te zien. Leed is voelbaar en daar ontkomt op zo’n moment niemand aan. Je wil iedereen troosten, maar kan dit wel? Ik vertelde de arts met wie een dierbare van mij een afspraak had hetgeen ik zag in de lift. Ik vertelde haar over de jonge dame die op instorten stond. De arts worstelde met haar woorden, want hoe begin je het gesprek en hoeveel tijd is er nodig om deze persoon te troosten.

Aanspreken is een luisterend oor bieden en dit kan vaak niet. De arts heeft patiënten die wachten. Het klinkt vreemd, maar ze (en vele van haar collega’s) kunnen niet anders. Ze is direct en toch heel warm. Ze draait niet om de hete brij heen als ze slecht nieuws moet verkondigen, wel neemt ze de tijd voor troost. Het moeilijkste maar gehad hebbende. Leed, ook voor de arts went niet en toch moet het.

Tijdens mijn bezoeken aan ziekenhuizen let ik, ondanks dat ik mij zoveel mogelijk probeer af te sluiten, op hoe anderen zich in de wachtkamer gedragen. Zo zag ik de mensen, vooral de mensen die iemand bijstaan, die geïrriteerd klagen dat het zo lang duurt. Ik zag mensen die snikkend de deur uitkomen, niemand bij zich hebbende om troost bij te kunnen vinden. Ik zag mensen zweten, letterlijk zwetend van de zenuwen. Ik zag mensen die hopeloos proberen onzichtbaar te zijn. Ik zag woedende mensen de deur van de arts uitgaan. De wachtkamer is een vreemde plek die nooit zal wennen.

Hoe om te gaan met verdriet? Sommige besluiten een broodje bal te gaan halen. Verstomd van verdriet verlieten ze daarna het ziekenhuis. Zelf verliet ik die ochtend, nu een jaar geleden, betraand en god vervloekend het ziekenhuis. Dit terwijl de dierbare die ik vergezelde juist bad tot god. Troostende woorden kwamen die ochtend van een passerende Nederlandse man die ons bedeesd Shifa InsAllah toefluisterde.

Vier maanden later waren wij het die na deze inktzwarte maanden vreugdevol de wachtkamer verlieten. Tactloos, fluitend, dansend verlieten we het ziekenhuis. Blind voor al het leed in de wachtkamer van de mammapoli.

Volg Karim Khaoiri ook op Twitter

Geef een reactie

Laatste reactie