12.036
8

Actrice en psychiater in dialoog

Actrice Mirjam Vriend en psychiater Bram Bakker, beiden ook schrijver, corresponderen maandelijks

Wat als de psychiater zelf gek is?

‘Ik word gestalkt door mijn therapeut’, vertrouwde een kennis mij een paar jaar geleden toe

Mirjam Vriend en Bram Bakker corresponderen maandelijks over de geestelijke gezondheidszorg. Dit is de eerste aflevering.

Beste Bram,

Je vakgebied fascineert me. Ik heb er gretig gebruik van gemaakt in mijn leven tot dusver, en dan hebben we het nu toch al over een halve eeuw en nog wat. Gaandeweg rezen bij mij wat vragen. Die leg ik graag aan jou voor. Ik introduceer mezelf bij deze dus even als ‘patiënt’, ok? ‘Cliënt’ vind ik een stom woord.

Ooit had ik het idee dat therapeuten bij het openen van hun deur al konden zien dat ik gek was. Bovendien dacht ik dat ze zelf enorm stabiel en normaal waren, want hoe konden ze anders anderen helpen om stabiel en normaal te worden….. Deze veronderstelde vermogens intimideerden me. Ik vrees dat ik menige therapie onbedoeld gesaboteerd heb omdat ik naarstig bezig was om mijn vermeende waanzin verborgen te houden en ook omdat ik voortdurend bezig was om de therapeut een plezier te doen. Ik voelde haarfijn aan wanneer in het proces hij of zij gaarne iets van een kentering wilde gaan zien. Nou, die leverde ik dan. Bij de laatste sessie schudde ik hem of haar stralend de hand, voor het eind van de straat hing mijn tong alweer op mijn schoenen.

De Toneelschool is natuurlijk een uitgelezen plek voor je eerste echte depressie. Op een grauwe dag sleepte ik me over de Maastrichtse kinderkopjes naar het JAC (Jongeren Advies Centrum), waar men me hartelijk binnenliet, al gaat het JAC gaat eigenlijk tot achttien, en ik was achttien. De mij toegewezen hulpverlener vroeg of ik er bezwaar tegen had dat er een stagiair meeluisterde. Ik, zo assertief als een zak hooi, schudde braaf ja. De stagiair keek angstig. ‘Ik wil niet meer’, zei ik, wat de stagiair duidelijk tegenviel. Hierna begon zijn leermeester aan een vlammend betoog met als rode draad dat, als ik de dingen nou eens van een andere kant ging bekijken, ze vast een bepaalde kwaliteit hadden. Hierna viel er een diepe stilte. ‘Beter?’, vroeg hij hoopvol. Ik, hopeloze hulpverleners-groupie die ik was, knikte ja. Zichtbaar verheugd lieten ze me uit.

Op mijn twintigste kwam ik bij een kale man in een Noors vest met rendieren terecht. Ik wilde per se naar zo’n kleine eenmanspraktijk, ik wilde zo’n psycholoog als in een Amerikaanse film, snap je, Bram; eigenzinnig, betrokken en warm.
Op alles wat ik vertelde, reageerde hij met: “Jeetje, ja, dat is ook echt niet leuk.” Als ik hem verwachtingsvol bleef aankijken zei hij: “Meer kan ik er ook niet van maken.” Aan het eind wenste hij me steevast “toch een goede week”. Op een dag kwam ik niet. Weken gingen voorbij. Hij belde niet, noch om te vragen waar ik was gebleven, noch om te checken of ik überhaupt nog leefde.

Op naar de volgende variant. Groepstherapie, voor vrouwen met eetproblemen. De groep werd gerund door twee graatmagere vrouwelijke therapeuten. De hele avond keken ze apathisch toe hoe de vrouwen elkaar affikten, zoals alleen vrouwen dat kunnen. Halverwege de avond werd vanwege het groepsthema gezamenlijk de maaltijd gebruikt. Het was onthutsend om te zien hoe lang de twee eetprobleemtherapeuten met één blaadje sla hannesten. De rest moffelden ze de vuilnisbak in.

Een jaar na deze therapie ontmoette ik een van de therapeuten op een feestje, waar ik iets theatraals kwam doen. Nadat ze mij vriendelijk gecomplimenteerd had, verdween ze schreeuwend de gang in om de ruzie met haar echtgenoot voort te zetten. Boven de muziek uit brullend raasden ze achter elkaar aan door het grote herenhuis, slaand met de deuren. “Ze is knettergek”, grinnikte de gastheer. Toen ik vertelde waar ik haar van kende bleek hij de andere therapeute ook te kennen. Ook knettergek.

‘Ik word gestalkt door mijn therapeut’, vertrouwde een kennis mij een paar jaar geleden toe. ‘Ik word er gek van, hij denkt dat hij een vervangende vaderfiguur is. Belt continu, bemoeit zich zelfs met de seks met mijn man.”
“Jeetje, wat vervelend, ga naar de mijne, die is heerlijk normaal”, zei ik.
Het bleek de mijne te zijn.

Naast nog een handvol saaie degelijkheid probeerde ik ook maar eens een boeddhiste (levensgevaarlijk; alles was mijn creatie) en een padwerker (verrassend goed; veel existentiëler).

Misschien is het goed, Bram, dat de therapeut in mijn leven geleidelijk van zijn/haar voetstuk gevallen is. Misschien kan de lamme de blinde juist heel goed helpen. “Bij de loodgieter thuis lekt ook altijd de kraan”; zoiets. Toch leek het vaak meer op: “bij de loodgieter staat het huis ook altijd finaal onder water”.

Ik dacht dat je zelf ook in therapie moest als je psychologie studeerde? Moet daar een bepaald resultaat bereikt worden? Of is het enkel om de meest extreme risico’s uit te sluiten, zoals waanideeën, psychopatie, kannibalisme? En krijg je later af en toe nog eens een apk? En van wie? En… heb ik bij toeval bovengemiddeld veel klungelaars getroffen… of ligt het aan mij?

Warme groet,
Mirjam

Dag Mirjam,

Je werpt heel wat vragen op, en alles uitvoerig beantwoorden zal een hele lange reactie opleveren. Ik stel voor dat ik begin bij dat wat me het meest raakt.

Je komt direct al met het klassieke dilemma ‘patiënt’ of ‘cliënt’. Psychologen neigen wat meer naar ‘cliënt’ is mijn indruk, terwijl psychiaters vaak een voorkeur hebben voor ‘patiënt’. Ze hechten nogal aan hun status als arts, denk ik.

Zelf heb ik ook een voorkeur voor ‘patiënt’, maar niet vanwege mijn vooropleiding tot arts. Ik vind ‘cliënt’ echt een eufemisme, en heb eigenlijk een aversie tegen dit begrip in relatie tot de psychologische hulpverlening, die de zorgverzekeraar vergoedt. In gewoon Nederlands heet het een klant, en kenmerkend voor een klant is dat deze mag kiezen. En in de Nederlandse GGZ is weinig te kiezen… Het aanbod wordt helaas voor je bepaald. Het zou prachtig zijn als wij hulpverleners de hulpbehoevende medemens als een klant zouden kunnen behandelen. Alle mogelijkheden doornemen, uitgebreid de voor- en nadelen van de mogelijke behandelvormen bespreken en iemand dan zelf een keuze laten maken.

Ooit vergeleek ik de GGZ met een Oost-Europese supermarkt: er staan lange rijen voor de deur, maar als je aan de beurt bent blijkt het assortiment zeer beperkt. Nog treuriger is het als je weet dat een behandeling waar je zelf voor kiest alleen daardoor al een grotere kans op succes biedt…

Mijn keus voor ‘patiënt’ is dus voornamelijk gebaseerd op de weerzin die ‘cliënt’ bij me oproept. Maar er is ook iets aan het begrip ‘patiënt’ dat me bevalt: ooit leerde ik tijdens de colleges filosofie (een ondergewaardeerd onderdeel in de opleiding tot arts) dat een van de betekenissen van ‘patiënt’ is dat de betreffende persoon geduld moet hebben of moet wachten. Denk ook aan het verwante Engelse ‘patience’. Volgens mij zit daarin een groot deel van de dagelijkse realiteit verscholen: je komt met een probleem, je wacht dan op een reactie, en hoopt dat die reactie iets bruikbaars op gaat leveren. Ondertussen wordt er geleden…

We kunnen erover twisten of het terecht is dat mensen met psychische problemen worden behandeld alsof ze een medische aandoening hebben, maar de term ‘patiënt’ past in ieder geval prima.

Je benoemt ook de neiging van de ‘patiënt’ om het de hulpverlener naar de zin te willen maken. Helaas komt dit heel veel voor bij mensen in therapie: ze zijn meer gericht op de persoon aan de andere kant van de tafel dan op zichzelf. En dit is vrijwel altijd een langlopend thema in hun leven: eerst voor anderen zorgen, en dan pas voor jezelf. Terwijl we heel goed weten dat je, om te beginnen, goed voor jezelf moet zorgen. Dat geldt overigens ook voor de therapeuten zelf. Therapeuten zouden zich naar mijn idee veel meer bewust moeten zijn van dit mechanisme, omdat het niet heilzaam is voor hun patiënten.

Als een therapeut iets nodig heeft van degene die hulp heeft ingeroepen kan gevaar ontstaan. Het is de basis van grensoverschrijdingen, met als meest extreme voorbeeld de hulpverlener die lusten botviert op een kwetsbaar mens. Daar kan ik me enorm over opwinden…

Je merkt op dat je nogal wat eigenaardige types bent tegengekomen tijdens je rondgang door therapieland. Ik ben bang dat het geen toeval betreft. Ik gebruik ook graag de vergelijking van de loodgieter en de lekkende kraan; bovengemiddeld veel relatietherapeuten zijn zelf gescheiden, psychotherapeuten hebben zelf vaak moeite met emoties en psychiaters zijn bovengemiddeld vaak verslaafd aan de middelen die ze voorschrijven. De spreekwoordelijke lamme probeert om een blinde te helpen…

Dat de beperkingen van de hulpverlener zelf een taboe zijn in het contact is een ongeschreven regel binnen het vak. Er is bij mijn weten echter geen enkel wetenschappelijk bewijs dat deze houding voordelen biedt boven meer persoonlijke betrokkenheid en het delen van toepasselijke eigen ervaringen door de hulpverlener. Het draagt bij aan een meer gelijkwaardige relatie, mooi toch?

Wel denk ik dat er een gevaar bestaat dat hulpverleners doorschieten met hun persoonlijke ontboezemingen. Zoals in de Nederlandse remake van de briljante Amerikaanse serie ‘In treatment’, waar een psychiater een sessie opende met: ‘Ik had vanochtend ruzie met mijn vrouw.’ Dan ben je echt het doel van een professionele behandeling kwijt…

Tot slot nog iets over jouw vraag over ‘die klungelaars’ die je tegenkwam. Veelzeggend dat je de vraag stelt of het aan jou ligt… Nee natuurlijk. En de zogenaamde leertherapie lost dit dus ook niet op: professionals doen alsof ze hun eigen problemen daarmee aanpakken, maar gaan de confrontatie vaak niet echt aan.

Hoe kun je iemand helpen met het (her)vinden van balans in het gevoelsleven als je zelf niet stevig op je benen staat? Doordat het volgens de professionele mores niet over de gekkigheid van de hulpverlener hoort te gaan, blijft deze vaak buiten beeld. Terwijl jij het waarschijnlijk steeds goed hebt aangevoeld dat er tegenover je ook iets niet klopte.

Geef een reactie

Laatste reacties (8)