1.144
14

Socioloog

Merijn Oudenampsen (1979, Amsterdam) is socioloog en politicoloog. Sinds januari 2011 doet hij als promovendus onderzoek naar populisme en culturele studies bij de Universiteit van Tilburg. Hij was gastredacteur van de 20e editie van het tijdschrift Open, de Populistische Verbeelding. Hij schrijft regelmatig voor boeken, bladen en tijdschriften, over stadsontwikkeling, kunst, politiek, filosofie en wat dies al niet meer zij.

Wat Rutte I betekent

Over het beleid van de regering en het einde van de consensuscultuur

Veel is gezegd over de toon van de regering. De halsstarrige weigering om in dialoog te treden, of ook maar een duimbreedte af te wijken van de ingezette koers, de bitse vijandigheid die ostentatief tentoon wordt gesteld. Zo van, kijk ons eens lekker bruusk zijn. Dit niet alleen naar kunstenaars en cultuurmakers toe, maar evengoed richting andere doelwitten van de huidige bezuinigingsdrift: huurders, patiënten, gehandicapten, studenten, mensen in de sociale werkvoorzieningen…

Dat zij blaft, niet dat zij bijt, is opmerkelijk genoeg de meest gehoorde klacht richting regering. In tegenstelling tot de overgeleverde wijsheid dat blaffende honden niet bijten, behoren beide echter tot het repertoire van deze regering. En het venijn zit hem juist in de beet. De focus op de toon van het debat suggereert dat deze los zou staan van de inhoud van de bezuinigen. Alsof deze enkel om een neutrale vorm van de zoveel geroemde efficiency draaien. Niets is minder waar. Zo is het binnen de kunst en cultuur niet zozeer problematisch dat er twintig procent wordt gekort. Het gaat eerder om de doelbewuste manier waarop de regering deze korting gebruikt om de maximale hoeveelheid schade aan te richten onder de meer experimentele, kleinschalige en hedendaagse kunst­ en cultuurvormen. In plaats van de kaasschaaf, de moker. De klassieke en elitaire cultuur van de ‘topinstituten’, die juist het makkelijkst privaat geld zouden kunnen aantrekken, wordt daarbij zoveel mogelijk gespaard. Ziehier het gerichte slachtofferschap van de bezuinigingen: experimentele cultuur wel, topinstituten niet; huurders wel, hypotheekhouders niet; het milieu en openbaar vervoer wel, het asfalt niet, de zorg wel, het bedrijfsleven niet. Het is dit ongelijke karakter van de bezuinigingen dat zijn rechts­conservatieve profiel bepaalt. En de belangrijkste ongelijkheid is daarmee nog niet eens genoemd. Sinds de financiële crisis is er veertig miljard publiek geld ‘geleend’ aan de Nederlandse financiële sector. Algemeen wordt aangenomen dat de helft daarvan nooit meer terug zal komen. Het is precies dit bedrag dat nu wordt verhaald op de Nederlandse bevolking in de huidige bezuinigingsronde, waarbij juist de meest kwetsbare delen van de bevolking de grootste klappen krijgen. Samen met de hypotheek­ renteaftrek, de korting op de overdrachtsbelasting en de verlaging van de winstbelasting voor bedrijven komt het neer op een historische herverdeling van publiek naar privaat. De toon waarmee de bezuinigingen worden gebracht is kortom de meest natuurlijke weergave van de inhoud.

Toch is het niet verwonderlijk dat mensen zich druk maken over ‘de toon waarop’. Want samen met het ongelijke karakter van de bezuinigingen, wijst de polariserende stijl van het nieuwe kabinet op een belang­ rijke trendbreuk in de Nederlandse politieke cultuur. Waar we getuige van zijn, is een verschuiving van consensus­ naar conflictmodel.

De Nederlandse geschiedenis laat zich lezen als een golfbeweging waarbij lange periodes van consensus en pacificatie van sociale tegenstellingen, worden afgewisseld met kortere periodes van conflict en polarisatie, waarbij het hele politieke systeem wordt opgeschud en een strijd losbarst over de vorming van een nieuwe consensus. Alles wijst erop dat we ons nu op een dergelijk punt bevinden. Wat er op het spel staat is dus niet simpelweg wie de volgende verkiezingen wint of hoe de pijn van een nieuwe ronde van bezuinigingen verdeeld wordt. Het gaat hier om een langdurige herschikking van het politieke landschap, een bredere transformatie van de politieke cultuur. Om het enigszins grof te schetsen: net als de opkomst van Nieuw Links in de jaren zestig een periode van vijfentwintig jaar progressieve hegemonie inluidde onder de noemer Nederland Gidsland, is met de opkomst van Nieuw Rechts de inzet van de strijd een nieuwe (rechtse?) consensus die de komende decennia normgevend zal zijn.

De complexiteit van deze situatie moet natuurlijk niet worden onderschat. Factoren als de financiële crisis, de veranderende rol van de media en ontwikkelingen op het gebied van de internationale verhoudingen zijn op een complexe manier verweven met de nationale politieke context. Maar door de mist van dit gecompliceerde samenspel zijn desalniettemin de contouren van de parallellen met eerdere periodes van polarisatie en accommodatie duidelijk zichtbaar. Net als in de jaren zestig ontstaan er nieuwe partijen die niet alleen de bestaande machtsdeling, maar het hele politieke systeem problematiseren. Net als toen wordt het politieke conflict gekanaliseerd via een nieuwe dimensie: was het in de jaren zeventig de tegenstelling tussen materialisten (door Roel van Duijn afgedaan als ‘het klootjesvolk’) en postmaterialisten, heden ten dage is het de tegenstelling kosmopoliet en conservatief.

In Nederland is Arend Lijpharts klassieke werk Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek de meest bekende analyse van een dergelijke golfdynamiek: hij beschrijft het ontstaan van de verzuiling in het begin van de twintigste eeuw, en de ondergang van dit systeem van machtsdeling in de jaren zestig, met de opkomst van Nieuw Links. Lijphart identificeerde een aantal politieke spelregels voor het regime van de verzuiling, beter te begrijpen als machtstechnieken die dienen om een bepaalde consensus te bewaken en in stand te houden. De belangrijkste van deze spelregels betreffen depolitisering en zakelijke politiek.

1) Zakelijke politiek
Politiek is gericht op besturen, zij is pragmatisch en resultaatgericht.
2) Pragmatische verdraagzaamheid
De meerderheid drukt niet zonder meer zijn mening door, maar komt tegemoet aan bezwaren van de minderheid. Bij niet onder­ handelbare onenigheid is wegkijken en/of ‘agree to disagree’ de formule.
3) Topconferenties
De allerbelangrijkste vraagstukken worden in topconferenties achter gesloten deuren behandeld.
4) Evenredigheid
ij de verdeling van middelen geldt de regel van evenredigheid: subsidies worden gelijk­ matig over de facties verdeeld.
5) Depolitisering
Het depolitiseren en neutraliseren van ideologische tegenstellingen door het zich ver­ schuilen achter complexe bestuurstaal, of door uitbesteding van besluitvorming aan experts, aan de rechterlijke macht (juridisering) of de markt (economisering) .
6) Geheimhouding
Tijdens het onderhandelings­ en besluitvormingproces treedt men zo min mogelijk in de openbaarheid. Tweede Kamerleden, academici en journalisten stellen zich ‘verantwoordelijk’ op, houden gevoelige informatie achter en depolitiseren zelf ook.
7) De regering regeert
De regeerbaarheid van het land is het grootste goed. In ruil voor een dociele opstelling houdt de regering rekening met de oppositie, zie ‘evenredigheid’ en ‘verdraagzaamheid’.

Het bovenstaande is de klassieke consensuscultuur die zo bekend is dat zij haast een cliché is geworden: het schipperen, de dialoog, het zoeken naar draagvlak, de technocratische achterkamertjespolitiek, de onbegrijpelijke bestuurderstaal, in het kort: de Haagse mores. In de jaren zestig werd dit regime aangevochten, met het gevolg dat het consensusmodel plaats begon te maken voor een conflictmodel. Hans Daalder, de andere aartsvader van de Nederlandse politicologie, identificeerde een nieuwe set spelregels:

1) Ontmaskering van de ideologie van het establishment; de noodzaak van een kritische maatschappijvisie
2) Contestatie en conflictmodel
3) Zelfbeschikking aan de basis
4) Polarisatie als middel tot het vormen van
een exclusieve meerderheid op basis van een eigen vast programma
5) Politisering
6) Openbaarheid
7) ‘Onmacht van het Parlement’

Na de periode van polarisering in de jaren zeventig is er in de jaren tachtig weer sprake van een terugkeer naar depolitisering en zakelijkheid in de vorm van een nieuwe no­nonsense consensuspolitiek, met als fait majeur de Wassenaarakkoorden, die de kern vormen van wat het poldermodel zou gaan heten. Deze no­nonsense periode eindigt op haar beurt met de opkomst van en moord op Pim Fortuyn. Vanaf dat punt begint Nieuw Rechts aan de stoelpoten te zagen van de bestaande consensus en initieert zij een vergelijkbare vorm van polarisatie als in de jaren zestig, nu gericht op de ‘ontmaskering van de multiculturele ideologie van het linkse establishment’.
Dat de spelregels van de ‘oude politiek’ niet meer van kracht zijn kwam duidelijk naar voren in de verkiezingscampagne en de kabinetsformatie, die bijna letterlijk als ‘polarisatie als middel tot het vormen van een exclusieve meerderheid’ beschreven kan worden. Denk ook aan het gebrek aan ‘evenredigheid’ en ‘verdraagzaamheid’ in de manier waarop de huidige bezuinigingen worden doorgevoerd, zonder enige vorm van overleg. Het consensusmodel maakt plaats voor het conflictmodel, een verschuiving die natuurlijk niet absoluut en totaal is, maar relatief en gedeeltelijk. De verschillende logica van conflict en consensus kunnen in verschillende hoedanigheid tegelijkertijd actief zijn: Op sommige terreinen (integratie, bezuinigingen op cultuur en sociale voorzieningen) opereert de politiek via de regels van het conflictmodel, op andere terreinen (zoals de arbeidsverhoudingen) lijken regering en werkgevers nog het consensusmodel aan te willen houden.

We bevinden ons in een overgang van een periode van relatieve stabiliteit, naar een tijd waarin alle stukken op het bord in beweging zijn. Nieuw Rechts heeft zich grondig vernieuwd, en heeft met haar keuze voor het regeren over rechts, voor het ‘afbreken van de geluksmachine’, voor een beleid waarbij rechts ‘haar vingers kan aflikken’, openlijk een koers van polarisatie ingezet. Dit creëert een geheel nieuwe context voor iedereen die zich met politiek bezig houdt.

Dat er een rechtse regering is die zich onttrekt aan de logica van het consensusmodel, heeft als nadeel dat niet langer de scherpe kantjes van het beleid afgeveild worden: harde maatregelen die hele sociale structuren treffen zijn nu mogelijk. Het lijkt er boven­ dien op dat deze regering zich als doel heeft gesteld om het maatschappelijk middenveld, de wereld van cultuur en de volkshuisvesting, allemaal traditioneel overwegend links­liberale bolwerken, eens flink op de schop te nemen. Met als doel op de lange termijn – op vergelijkbare wijze als dat onder Thatcher gebeurde in Engeland – dat wat politiek mogelijk is in Nederland grondig te wijzigen en naar rechts te verschuiven. Vandaar ook de noodzaak tot oppositie. Wat een rechtse regering in het conflictmodel verder betekent, is dat niet alle instituties meer kunnen rekenen op de oude politiek van ‘evenredigheid’ en ‘verdraagzaamheid’. Velen zien zich afgesneden van de macht. Sommigen proberen de hernieuwde polarisering te bestrijden volgens de oude logica van het consensusmodel. Neem de voorstellen van de Vereniging van Universiteiten, of van de Tafel van Zes binnen het cultuurwezen. Anderen beginnen door te krijgen dat hun positie aan de onder­ handelingstafel onder druk staat en dat de basis gemobiliseerd moet worden via politisering en openbaarheid in plaats van topoverleg in de beslotenheid van achterkamertjes. Hopelijk ontwikkelt zich zo een bredere dynamiek.

De overgang naar het conflictmodel biedt ook mogelijkheden. De in de consensus­ politiek besloten pacificatietechniek, dient ertoe om elke politiek die structurele verandering nastreeft, elke politiek met een horizon of vaststaande principes, onschadelijk te maken. Pacificatie draait dus zowel om de ínsluiting van belangen die onderhandelbaar zijn binnen bestaande kaders, als om de uítsluiting van eisen die zich richten op verder­ gaande verandering: met als resultaat wat Slavoj Žižek, Chantal Mouffe en andere filosofen ‘postpolitiek’ noemen. Het gevolg is dat politiek als idealistisch streven naar maat­ schappelijke verandering nauwelijks meer bestaat in Nederland. Dezelfde pacificatielogica verklaart ook waarom er zo weinig sprake is van politiek engagement, noch binnen instituties, noch in de wereld van kunst en cultuur. De overheid richt met haar subsidies zogenaamde ‘cultuurreservaten’ in, waar ieder in zijn eigen zandbak zijn eigen zandkastelen bouwt. Die tijd is voorbij.

De Nederlandse schrijver en bioloog Dick Hillenius schreef ooit een boek over de eilandbewoner en zijn rol in de evolutie­ biologie. Vanwege het relatieve isolement van het eiland, verliep de evolutie van de eiland­ bewoner op wonderlijke wijze. Gevrijwaard van de bedreigingen van het vasteland, van de existentiële strijd met diersoorten aldaar, vormden zich de meest buitenissige eigen­ schappen en spectaculaire overbodigheden. De eilandbewoner was een zeer gefocuste specialist en vaak ook een onaangepaste excentriekeling. Trage meditatieve reuzen en parmantige vogels die niet konden vliegen overleefden millennia lang, dankzij hun isolatie. Op het onvermijdelijke moment echter, dat de invasie zich voordeed vanuit het vaste­ land, bleken specialisten en excentriekelingen onmachtig zich te verweren.

Een eilandbewoner, dat was de hedendaagse cultuurmaker. Wat lang een wereld op zichzelf was, kan dat niet langer zijn. Tijd om de schotten neer te halen en uit een eilandenrijk van praktijken een nieuwe politiek te destilleren die het rechtse tij kan keren.

Deze tekst is onderdeel van het noodnummer van het kunsttijdschrift Open, dat deze week als speciale bijlage in de Groene Amsterdammer verschijnt.


Laatste publicatie van MerijnOudenampsen

  • boek merijn

    De conservatieve revolte

    Een ideeëngeschiedenis van de Fortuyn-opstand

    2018


Geef een reactie

Laatste reacties (14)