6.701
94

Universitair hoofddocent, UvA

Joost van Spanje is universitair hoofddocent politieke communicatie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is gespecialiseerd in onderzoek naar de reacties van de gevestigde orde op nieuwe politieke partijen. Dit omvat juridische reacties (bijv. strafvervolging), politieke reacties (bijv. cordons sanitaires) en media-reacties (bijv. doodzwijgen). Joost is winnaar van de Jaarprijs Politicologie 2010, van een NWO Veni-onderzoeksbeurs in 2012 en van een NWO Vidi-onderzoeksbeurs in 2015.

Wat we niet willen horen

Wilders maakt handig gebruik van multiculturele tolerantie

Maandag kondigde justitie in Wenen een onderzoek aan naar een speech van PVV-leider Geert Wilders. De herhaaldelijke ophef over bestraffing van politieke uitspraken legt verdeeldheid bloot omtrent een kernvraag in onze democratie: hoe om te gaan met onwelgevallige politieke uitingen?

“Ten eerste omdat Moslims in Wilders’ speech algemeen als vijanden en als gevaar voor Europa afgeschilderd worden. Ten tweede omdat hij van mening is dat de Koran terrorisme zou bevorderen,” zo beargumenteerde activist Tarafa Baghajati zijn aangifte tegen Wilders, die leidde tot het onderzoek. Niet alleen is Baghajati het oneens met Wilders’ zienswijze en opinie, hij is ook politiek intolerant jegens hem.

Politieke intolerantie betekent het onthouden van politieke rechten aan bepaalde individuen of groeperingen. Baghajati bijvoorbeeld wil Wilders het recht ontzeggen om zijn ideeën te verkondigen. Het tegenovergestelde, politieke tolerantie, wordt in brede kring beschouwd als democratische kernwaarde. Democratie vereist enige bereidheid van burgers om een ander zijn politieke rechten te gunnen.

Politieke tolerantie kan ook op gespannen voet staan met democratie. Tolerantie jegens schadelijke groeperingen heeft democratieën in het verleden de das omgedaan, zoals de Duitse democratie in 1933. Tolerantie jegens onschadelijke groeperingen moet gecombineerd met intolerantie jegens schadelijke groeperingen. De vraag is natuurlijk: welke politieke groeperingen zijn schadelijk en welke onschadelijk?

In een democratie zijn het uiteindelijk de burgers die dat bepalen. Via (juridische) instituties. Wat burgers schadelijk vinden hangt sterk af van de groepering in kwestie, en van plaats en tijd. Wat betreft groepering neemt tolerantie onder burgers gemiddeld af met de sterkte van gevoelde bedreiging. Wat betreft plaats en tijd is er gemiddeld meer tolerantie naarmate een land langer democratisch is geweest.

Een land met relatief geringe mate van politieke tolerantie is Duitsland. Na de Tweede Wereldoorlog is besloten om daar een ‘weerbaar’ democratisch stelsel op te zetten. Dat wil zeggen, een stelsel dat niet gemakkelijk zou bezwijken onder druk van antidemocratische krachten, zoals in 1933 was gebeurd. Dit leidde bijvoorbeeld tot verbod op een aantal partijen. Momenteel wordt getracht de NPD te verbieden.

Een land met relatief grote mate van politieke tolerantie zijn de VS. In tegenstelling tot in de meeste gevestigde democratieën is strafvervolging voor politieke uitspraken er tegenwoordig haast ondenkbaar. Aan de vooravond van het Wildersproces brak zijn advocaat Bram Moszkowicz een lans voor wat min of meer praktijk is in de VS: “Mijn persoonlijke mening is dat je in Nederland moet kunnen zeggen wat je wilt, zolang dat maar niet met een oproep tot geweld gepaard gaat.”

Moszkowicz is hierin absoluut tolerant. De praktijk in ons land is heel anders. Dat blijkt onder andere uit demonstratieverboden door de dienstdoende burgemeester – formeel wegens kans op openbare ordeverstoring. Terwijl in de VS neonazi’s zelfs door een stad met veel Holocaustoverlevenden een mars mochten houden, werd in ons land tot medio jaren ’90 vrijwel elke ‘extreemrechtse’ demonstratie verboden. Deels als gevolg hiervan haalden bij ons immigratiekwesties zelden het nieuws.

Veel burgers zijn overigens absoluut intolerant. Wetenschappelijk onderzoek laat keer op keer zien dat velen het belang van politieke tolerantie in het algemeen onderschrijven, maar daar in specifieke gevallen van afwijken. Dat wil zeggen: geen politieke rechten willen voor groeperingen die ze haten of vrezen. Bijvoorbeeld, in 1954 zou 68% van de Amerikanen een communist verbieden om een speech te geven.

Naast absoluut toleranten als Moszkowicz en absoluut intoleranten die louter ruimte laten voor het eigen gelijk, lijkt er onder burgers nog een derde groep te bestaan. Tenminste, onderzoek onder jongeren in België en Canada laat ook een multicultureel tolerante groep zien. Zij zijn politiek tolerant – behalve jegens groeperingen waarvan zij vinden dat die discrimineren. Dit strookt met de huidige juridische praktijk in de meeste gevestigde democratieën, en met Baghajati’s redenering.

Een vierde groep vinden we bij proefballonnen naar aanleiding van een demonstratie vorig jaar te Den Haag. CDA-leider Sybrand van Haersma Buma wilde het verheerlijken van terroristisch (lees: Islamistisch) geweld strafbaar stellen. Kamerlid Klaas Dijkhoff (VVD), nu staatssecretaris, stelde voor om pro-IS-demonstranten als terroristen te vervolgen. Bij Stand.nl op Radio 1 bleek 79% het met Dijkhoff eens.

Wat betreft bestraffing van publiekelijk gedane politieke uitspraken van politici is juist sprake van diepe verdeeldheid. Zo vond na afloop van het Wildersproces 37% van de Nederlandse burgers het terecht dat Wilders was vervolgd; 41% achtte het onterecht. In laatstgenoemde groep boekte Wilders electorale winst nadat hij was vervolgd op basis van ons strafrecht. Dat strafrecht, hoewel deels vastgelegd via internationale verdragen, kan natuurlijk worden veranderd.

Vier opties voor verandering zijn in deze column de revue gepasseerd: absolute tolerantie, absolute intolerantie, multiculturele tolerantie, en Buma en Dijkhoffs anti-Islamistische tolerantie. Welke optie willen we? De discussie hierover zal telkens weer oplaaien. Naar aanleiding van demonstraties zoals vorig jaar te Den Haag, of door juridische procedures tegen uitingen zoals van de Duitse NPD en van Wilders.

Wilders begrijpt dit – en slaat electoraal munt uit de multiculturele tolerantie van zijn tegenstanders.

De gebruikte wetenschappelijke literatuur is van Aaron Abbarno, Erik Bleich, Ray Duch, Jim Gibson, Charles Grigg, Allison Harell, George Marcus, Mark Peffley, James Piereson, James Prothro, Robert Rohrschneider, Samuel Stouffer, John Sullivan en John Transue. De uitkomsten van genoemd opinieonderzoek komen van onderzoek van mijzelf in samenwerking met Claes de Vreese en TNS Nipo.

Geef een reactie

Laatste reacties (94)