1.156
25

Socioloog en Publicist

Dick Pels (1948) is socioloog, politiek publicist en singer-songwriter. Tot 2013 was hij directeur van Bureau de Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks. Daarvoor was hij o.a. hoogleraar sociologie aan de Brunel University in Londen en voorzitter van de linksliberale denktank Waterland. Zijn meest recente boeken zijn Het volk bestaat niet (2011), Vrijzinnig paternalisme (2011, red. met Anna van Dijk) en A Heart for Europe. The Case for Europatriotism (2016, gratis te downloaden via de link hierna). Onlangs bracht hij ook de cd Crosspath uit. Zie verder www.dickpels.nl en www.dickpelsmusic.nl

Wilders als monument

Klassieke helden zijn beroemd vanwege hun grootse daden,  moderne celebrities vooral vanwege hun media-imago

Toen de Kring der Wetenschap der Politiek zestig jaar bestond, vroegen de jubilarissen mij te reageren op de volgende idiote stelling: ‘Over zestig jaar wordt in de Nieuwe Kerk te Delft begonnen aan de bouw van het praalgraf van Geert Wilders’. Ik had natuurlijk nee moeten zeggen. Maar na een slapeloze nacht begon ik aan een diepgravend vergelijkend onderzoek naar vier grafmonumenten van Hollandse helden: dat van Willem van Oranje in de Nieuwe Kerk te Delft (1623, van de hand van Hendrik de Keyser), dat van Michiel de Ruyter in de Nieuwe Kerk te Amsterdam (1681, door Rombout Verhulst), het praalgraf van Pim Fortuyn in Provesano di San Giorgio della Richinvelda in de Noord-Italiaanse provincie Pordenone (2002, een eigen ontwerp?) en tenslotte de Geert Wilders Werken, de 21 bermmonumenten die de kunstenaar Jonas Staal in 2004 en 2005 realiseerde in de omgeving van Rotterdam en Den Haag.

Al meteen dienden zich een eerste onderzoeksresultaat aan. Om een grafmonument te verdienen moet je worden omgebracht door een religieuze, militaire of politieke vijand. Willem van Oranje werd in 1584 te Delft door de katholieke fanaticus Balthasar Gerards vermoord. Michiel de Ruyter stierf in 1676 in de baai van Syracuse aan de gevolgen van een beenwond, toegebracht door een vijandelijke Franse kanonskogel. Pim Fortuyn werd op 6 mei 2002 doodgeschoten door de fanatieke dierenactivist Volkert van der Graaf.

Geert Wilders zal waarschijnlijk op hoge leeftijd sterven in zijn Venlose bed. Welk jaartal zullen we voor hem kunnen invullen? Of valt zo’n existentiële speculatie in de categorie ‘strafbare bedreiging’, zoals Jonas Staal ondervond, die door Wilders werd aangeklaagd vanwege ‘bedreiging met de dood van een lid van de Staten-Generaal der Nederlanden’?

Ook vallen meteen enkele dwarsverbanden op. Fortuyn wilde graag een tweede Willem van Oranje worden, een Vader der Vaderlands, die het verweesde volk van Nederland zou terugleiden naar het Vaderhuis.

Geert Wilders liet zich in mei 2010 portretteren als Michiel de Ruyter, voor de serie ‘Heroes’ van Veronica Magazine. Hero Brinkman (die niet toevallig deze voornaam draagt) poseerde als ondercommandant op de achtergrond.

Waarom De Ruyter? Wilders: ‘Hij is een van de grootste helden uit onze geschiedenis. Strijdbaar. Voor niets en niemand bang. In zijn gevechten met buitenlandse legers en piraten toonde hij zijn strijdlust.’

Natuurlijk. Die piraten waren de Barbarijse zeerovers, muzelmannen dus, tegen wie de vloot onder De Ruyters leiding in 1661 en 1664 enkele strafexpedities uitvoerde. Barbarije aan de Noord-Afrikaanse kust was de uitvalsbasis van wat wel ‘mujahedien op zee-jihad’ zijn genoemd. In overdrachtelijke zin wacht ons de barbarij als het vrije Westen wordt verzwolgen door de islamisering.

In De Ruyters tijd heetten trouwens alle moslims Turken, en zij werden geacht een strijd op leven en dood uit te vechten met de Franken (d.w.z. alle blanken). Een late echo hiervan vinden we in het allereerste Nederlandse stripverhaal Reizen en avonturen van mijnheer Prikkebeen, een bewerking van een Duits origineel uit 1858. Op de vlucht voor zijn betuttelende zuster Ursula belandt Prikkebeen in Barbarije en ondergaat het lot dat Wilders spoedig voor ons allen verwacht:

‘Doch de Turken zijn niet mak,
Wat hij daar ook tegen sprak,
Wou hij ‘t leven redden, dan
Moest hij worden Muzelman.
Knielend en diep aangedaan,
Neemt hij dus de turban aan.’ 

Het praalgraf van Willem van Oranje in de Nieuwe Kerk te Delft kostte indertijd het fabelachtige bedrag van 30.000 gulden (nu 9 miljoen euro). De vier vrouwenfiguren die de tombe omringen belichamen de deugden van Libertas (vrijheidsliefde), Religio (godsdienstigheid), Fortitudo (Moed) en Justitia (Gerechtigheid). Zij verbeelden de grootste verdiensten van de Vader des Vaderlands en de vier idealen die ons land aan het begin van de zeventiende eeuw beheersten: ‘Vrijheid van denken, vrijheid van geloof en een staatsbestel zonder vervolgingen en geweld’. Vrouwe Justitia staat afgebeeld met een weegschaal, maar zonder zwaard. Willem wordt niet afgebeeld als militair maar met slaapmuts, pantoffels en een nachttabbaard. Aan zijn voeten rust een klein hondje.

Die huiselijke, rustgevende sfeer illustreert nog eens de onheroïsche trek in ons volkskarakter. We kennen geen traditie van protserige koningsgraven als de Egyptische piramiden of het Napoleonsgraf in Parijs. Zelfs toen onlangs sprake was van een lichte opleving van Hollandse heldenverering, werd die getekend door terughoudendheid en ironie. Dat was ook de toon van de veelbezochte tentoonstelling ‘Held’ in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, die werd georganiseerd rond de vierhonderdste geboortedag (en het aldaar aanwezige praalgraf) van De Ruyter.
Daar hing bijvoorbeeld het schilderij van Hendrik Breukelaer uit 1832, waarop de weesjongen Jan van Speyk smachtend opziet naar de marmeren tombe van zijn held.

Tegenwoordig zou Van Speyks wanhoopsdaad uit 1831 als een vorm van zelfmoordterrorisme gelden. Maar in de jaren na de Belgische afscheiding voldeed hij aan de behoefte aan een koene en onverzettelijke held als tastbare belichaming van de nieuwe nationale mythe. Bij ons wekt Van Speyks pose eerder medelijden dan bewondering op. ‘Sterven voor het vaderland’ wordt nu eerder gezien als een risico dat hoort bij het gevaarlijke maar zelfgekozen beroep van militair.

Wat moeten we nog zeggen over het pompeuze praalgraf van Pim Fortuyn in Provesano? Praal wordt hier prul of pulp. De Grootste Nederlander Aller Tijden, onze eigen spruitjesnationalist en euroscepticus, wilde niet rusten in vaderlandse bodem maar liever worden begraven in een zonnig buitenland.

Opvallend is dat Oranje en zijn bewonderaar Fortuyn ook zijn verbonden via hun hondjes. De Cavalier King Charles spaniels Kenneth en Carla vormden een integraal onderdeel van het beeldmerk-Fortuyn, net als andere accessoires zoals de dikke dasknoop, het glimmend kale hoofd, de donkerblauwe Daimler V8 en Butler Herman. Vorig jaar overleed Carla op tienjarige leeftijd. Butler Herman mocht bij aardewerkspecialist De Porceleyne Fles op rekening van Harry Mens een speciale asurn bestellen. Maar dan moesten de Italiaanse autoriteiten de absolute garantie bieden dat de urn niet kon worden gestolen. De Stichting Vrienden van Pim vroeg daarop de directeur van de Leerdammer glasfabriek of ze misschien een glazen koepeltje konden maken, met kogelwereld en hakproof glas. Dat ging natuurlijk wél wat kosten: ‘Herman betaalt alles uit eigen zak: de dierenarts, het voer, de crematie, alles. En hij zit al in de financiële ellende. Er is een speciaal gironummer voor de beestjes, maar daar is nooit veel op gestort. Ach, het gaat zoals alles wat met Pim te maken heeft. Alles wordt doodgezwegen’ (NRC Handelsblad 28.4.10). 

Destijds zijn van de hondjes twee wassen beeldjes gemaakt. Een foto ervan prijkte onlangs naast een onthutsend bericht in de Volkskrant (5.2.11) dat de ‘Fortuynhondjes’ verziekt zijn door een extreme vorm van inteelt. Ze zouden zodanig zijn doorgefokt dat ze een te kleine schedel hebben voor hun hersenen, zodat ze lijden aan chronische hoofdpijn, epilepsie en hartklachten. De Stichting Dier & Recht wilde volgens de krant naar de rechter stappen om de Cavalier Club Nederland tot een fokverbod te dwingen. 

De hondjes van Fortuyn spelen ook een voorname rol in het denken van Jonas Staal. In sommige van zijn Geert Wilders Werken plaatste hij de bekende staatsiefoto van Fortuyn met de twee hondjes op schoot naast een prent van Jezus Christus die een lam omvat. Zoals Christus zich ontfermde over de lammeren Gods, zo verduidelijkte Staal, zo ontfermde Fortuyn zich over het volk van Nederland. De twee kitscherige hondjes vormden de mascottes van de Nederlandse burgerij en de white-trash gemeenschappen die Fortuyn wist te mobiliseren in de aanloop naar de verkiezingen van 2002. Het kitschhondje symboliseerde de ‘gewone man op straat’, die Fortuyn letterlijk omarmde en liefkoosde ‘en wiens smakeloosheid door hem werd beschermd en gerechtvaardigd’.

Staal trekt die analyse verrassend door naar de dramatische uitvaart van Fortuyn in de Rotterdamse Laurentius- en Elisabethkathedraal op 10 mei 2002: ‘Weinig bekend is dat de macht van deze mascottes… ook daadwerkelijk voorbij het symbolische strekten. Tijdens de herdenkingsdienst voor Fortuyn in de kathedraal van Rotterdam ontstond er rumoer, omdat het de bedoeling was dat de hondjes met Fortuyns butler Herman naar het altaar zouden lopen. Maar binnen de kerk heerst een welbekend verbod op dieren, omdat het hun aan een ziel zou ontbreken. Doch, buiten bevond zich een woedende menigte van aanhangers van Fortuyn die door de politie werd weerhouden binnen te treden om zich te wreken op de politici die “de kogel van links” hadden gestuurd. En dus vond het ritueel plaats zoals Fortuyn dit wilde: de hondjes bleven in de kerk aanwezig, en wandelden samen met Herman naar het altaar voor een laatste afscheid. Daarmee kreeg Fortuyn niet alleen voor elkaar wat Franciscus van Assisi nooit was gelukt, maar nog belangrijker: zo lukte het hem, als ware het vanuit het graf, om alsnog zijn Volk, dat zich niet in de kerk mocht manifesteren, door middel van deze heilige mascottes toch binnen het ritueel centraal te plaatsen. Een treffender metafoor voor Fortuyn zijn bewerking en manipulatie van de geschreven en ongeschreven regels van het systeem waarin hij onderweg was naar de macht, is nauwelijks voor te stellen’.

De Hoge Raad sprak Jonas Staal op 21 september 2010 definitief vrij. Hij achtte niet bewezen dat de kunstenaar Wilders had willen bedreigen toen hij in 2005 op een aantal plaatsen in Den Haag en Rotterdam gedenkplaatsen had opgericht met bloemen, kaarsjes, knuffelbeesten en foto’s van de politicus, als ware hij om het leven gekomen. In Staals eigen opvatting riepen zijn installaties op tot debat over de vraag hoe tegenwoordig politiek wordt bedreven. De Geert Wilders Werken waren een duiding van de toenemende persoonscultus in de politiek. Zij correspondeerde met de ‘bedreigingscultus’ die heerste rond publieke figuren, ‘waarin de heer Wilders een iconische positie inneemt’. Daarom waren de Geert Wilders Werken niet alleen relevant in een kunstzinnige context, maar ook in die van de historische ontwikkeling van het ‘herdenkingswerk’ en in de maatschappelijke context van de populistische politiek.

Staal was al tweemaal eerder vrijgesproken, maar het OM was op grond van de aangifte van Wilders tegen beide uitspraken in beroep gegaan. Toen het Hof in hoger beroep weigerde om Wilders als getuige op te roepen, verlieten Staal en zijn raadsman Peter Plasman de rechtszaal. Staal liet zijn raadsman verklaren: ‘Alle aanwezigen zijn door mijn cliënt in zijn kunstwerk geplaatst en zijn derhalve deel gaan uitmaken van dit kunstwerk’. Hun vertrek moest niet worden opgevat als minachting van het Hof, maar als een daad van verzet, een uiting van fundamentele kritiek op het rechtssysteem. De door Wilders zelf zo geroemde vrijheid van meningsuiting werd immers door dezelfde Wilders door zijn aanklacht met voeten getreden. Het debat zou daarom niet in de rechtszaal kunnen plaatsvinden. De kunstenaar moest zelf de ruimte ervoor vinden, voorbij de politiek en het recht: ‘Het vertrek was een politieke en poëtische daad. Het vertrek was de bezegeling van dit kunstwerk’.

Het is verleidelijk om het proces waarin Wilders onlangs zelf in de beklaagdenbank stond als een spiegelbeeld van deze soap op te vatten. Volgens de logica van Staal schiep Wilders hiermee zelf een uniek kunstwerk, met glansrollen voor zijn celebrity-advocaat Moskowicz, de politiek-correct klagende partijen, een gewraakte rechtbank, de islamfoob Jansen en een schimmige eetclub. De uitspraken van Wilders tijdens dit proces waren trouwens zonder meer poëtisch te noemen. Columnist Peter Middendorp merkte bijvoorbeeld op dat Wilders’ apocalyptische tekst over de ‘totale oorlog die de linkse elites tegen hun bevolkingen voerden’ las als een klassiek gedicht. Met als nadeel dat de totale oorlog mogelijk door niemand zou  worden opgemerkt. Hij verborg zich in schoonheid: ‘Als de maan schijnt door de bomen, danst de totale oorlog op versvoetjes langs de gevels’ (De Pers 9.2.11). 

Misschien kan de reeks Oranje-De Ruyter-Fortuyn-Wilders het beste als een vervalsgeschiedenis worden beschouwd, waarin de klassieke held moet wijken voor de moderne mediacelebrity. Klassieke helden zijn beroemd vanwege hun grootse daden,  moderne celebrities vooral vanwege hun media-imago. Parallel daaraan zijn we van het tijdperk van het stenen beeld terechtgekomen in het tijdperk van het virtuele, electronisch vermenigvuldigde beeld. Tegen die achtergrond kan de stelling waarmee ik door de politicologen werd opgezadeld definitief worden verworpen. Wilders is zo monumentaal aanwezig in deze tweede beeldcultuur dat een stenen grafmonument ook om die reden overbodig zal zijn. Fortuyn’s praalgraf in Provesano is een nostalgische vergissing. Beide zijn alomtegenwoordig in beeld en geluid, en hebben dus net als andere celebrities het eeuwige leven.

Geef een reactie

Laatste reacties (25)